Boekverbranding

Geert Grote kwam in 1340 ter wereld als de zoon van lakenkoopman Werner Grote en Heylwich van der Basselen. Geerts vader was ook korte tijd burgemeester van de stad Deventer. In 1350 stierven zijn ouders aan de pest. Grote erfde het familiekapitaal en gebruikte dat geld om te gaan studeren. Na zijn opleiding aan de Latijnse school te Deventer vertrok hij naar Parijs om zijn studie voort te zetten aan de Sorbonne, waar hij na drie jaar zijn meestertitel behaalde. Hij was toen 18 jaar. Grote studeerde geneeskunde, astrologie, theologie en kerkelijk recht.

Geert Grotes carrière

Grote startte na zijn studie een carrière binnen de kerk. Niet zozeer omdat de kerkelijke moraal hem aansprak, maar meer omdat het in die tijd een manier was om aan een baan te komen met een riant inkomen. Geestelijken konden in die tijd soms amper lezen. Geert Grote trad in 1368 toe tot het kapittel van de Dom van Aken en korte tijd daarna tot dat van de Dom van Utrecht.

Boekverbranding

Mathilde van Dijk beschrijft in haar artikel ‘Woestijnvaders en apostelen; actief lezen in de Moderne Devotie’ in de bundel Verlichte geesten hoe meester Geert schoon schip probeerde te maken door zijn boeken over astrologie en magie te verbranden. Het was hem aangeraden door de pastoor van de Bergkerk die hem alleen absolutie wilde verlenen als hij zijn ketterse verzameling vernietigde. Geert weigerde aanvankelijk, maar na het bestuderen van zijn urine – hij had enige medische kennis opgedaan tijdens zijn studie aan de Sorbonne in Parijs – schrok hij zo dat hij het advies van de Deventer pastoor opvolgde. Hij was ervan overtuigd dat hij spoedig zou sterven en liet op de Brink een brandstapel van magische boeken bouwen. De zwarte kunst ging op in witte rook. En er geschiedde een wonder, Geert genas. Grote besloot zijn leven volledig in dienst te stellen van de Heer, ging ascetisch leven en voedde zich met erwtenmoes en zoute haring, het armenvoedsel.