Taal

Erasmus was een humanist. Maar toen was dat iets anders dan nu. Erasmus is een klassieke humanist, dat wil zeggen: Iemand die taal, literatuur, geschiedenis en filosofie studeert. Klassieke humanisten vinden taal en moraal, onderwijs en opvoeding erg belangrijk. Ze baseren hun ideeƫn op de cultuur van de Grieks-Romeinse Oudheid. Latijn is voor hen de taal van de beschaving en de internationale voertaal voor geschoolde mensen.

De bestaande onderwijsboeken voor Latijn vond Erasmus niet goed. Daarom schreef hij zelf lesmateriaal voor zijn eigen privƩleerlingen. Hieruit zijn bijvoorbeeld Spreekwoorden en Gesprekken ontstaan. Een uitgebreid lesboek Latijn is zijn Taalrijkdom (De copia) uit 1512.

Erasmus heeft ook veel boeken van klassieke auteurs uitgegeven en vertaald (in het geval van Griekse teksten). Al in zijn jeugd bestudeerde Erasmus de Romeinse auteurs. Als oefening in taalbeheersing schreef hij Latijnse gedichten. Tijdens zijn eerste verblijf in Engeland (rond 1500) overtuigde John Colet hem van het belang van de kennis van het Grieks. Daarom heeft Erasmus zich ook deze taal grondig aangeleerd.

Erasmus heeft zowel niet-christelijke als christelijke teksten uit de Oudheid uitgegeven. Het belangrijkste voorbeeld van de tweede categorie is zijn uitgave van het Nieuwe Testament, dat oorspronkelijk in het Grieks is geschreven. Erasmus vertaalde deze tekst opnieuw in het Latijn. Het hoogtepunt in zijn loopbaan.

Ook heeft Erasmus z'n leven lang gewerkt aan een verzameling klassieke spreekwoorden (Adagia). De eerste uitgave, met 838 spreekwoorden, verscheen in 1500. Uiteindelijk verzamelde en publiceerde Erasmus 4.151 klassieke uitdrukkingen.

Al in zijn jeugd kreeg Erasmus kritiek op zijn studie van de taal en cultuur van de Oudheid. Maar voor hem was dit van enorme waarde. Hij was zelfs bang dat de opkomst van het protestantisme funest zou zijn voor zijn pogingen om het taalonderwijs te vernieuwen.

Afgebeeld op deze pagina is een bladzijde uit Taalrijkdom (ed. Straatsburg 1512) uit een exemplaar van de Bibliotheek Rotterdam. De drukker heeft steeds de eerste hoofdletter van elke alinea in het klein afgedrukt en ruimte vrijgelaten voor het met de hand inkalligraferen van diezelfde letter.