100 jaar Europese meubeldesign

Op een stoel moet je kunnen zitten en de pan met soep moet op een tafel kunnen staan. In de geschiedenis van de meubels staat voor het grootste gedeelte de functionaliteit voorop. Versieringen van het meubilair was in de vorige eeuwen enkel weggelegd voor de elite en had dan ook vooral de functie om te imponeren. Met de industriële revolutie halverwege de 19e eeuw, en daarmee de komst van de massaproductie, ontstonden er voor het eerst designbewegingen die voor het grote publiek bestemd waren. Een overzicht van de belangrijkste bewegingen van de afgelopen 100 jaar.

Ronde vormen

De eerste echte designbeweging ontstond in Engeland onder de naam Arts & Crafts. Tijdens de Wereldtentoonstelling in Crystal Palace, 1850, werden meubels in deze stijl voor het eerst getoond. Arts & Crafts was een tegenbeweging - tegen de industrialisatie met haar zielloze massaproductie en het verval van het handwerk. In plaats daarvan maakten ze overvloedig gebruik van ronde, natuurlijke vormen en een veelvoud van bloemen- en plantenmotieven.

Een pionier in het meubeldesign was de Duits-Oostenrijkse meubelmaker Michael Thonet. In stijl paste zijn ontwerpen binnen de Arts & Crafts. Maar wat Thonet extra succesvol maakte, was dat hij ook oog had voor de industriële processen. Zijn stoelen waren eenvoudig en goedkoop te maken. Van zijn stoel nr.14 zijn 50 miljoen exemplaren verkocht. Iedereen die wel eens in een café komt, zal hem herkennen.

Strakke lijn

Met de opkomende industrie ontstond het ideaal van het modernisme. Dit uitte zich in strakke, geometrische vormen. Een soort overgangsfase van de ronde vorm van de Arts & Crafts naar de moderne, strakke lijn was zichtbaar bij de Deutscher Werkbund. Twee prominente figuren uit deze alliantie van ontwerpers waren Hermann Muthesius en Henry van de Velde. De eerste streefde standaardisering en strakke vormen na. Terwijl Van de Velde vreesde dat dit de creativiteit van de designers teniet zou doen. Natuurlijke vormen waren zijn ideaal – maar zonder de versieringen van de Arts & Crafts.

De strakke lijn won terrein. In Nederland zorgde Gerrit Rietveld voor een revolutie met zijn strak vormgegeven Rood-blauwe stoel. In het buitenland was deze trend ook te zien. In Duitsland richtte Walter Gropius het Bauhaus op; een opleiding voor functionele, sobere en strakke vormgeving.

Bauhaus streefde meubels na die mooi waren, maar vooral ook praktisch in het gebruik. De vorm moest bij de functie passen. Én het moest passen bij de gebruikers – arbeiders in kleine arbeiderswoningen. Dit resulteerde bijvoorbeeld in een kast op wieltjes, die vanuit 2 kanten open te maken is.  

Vermenging

De Franse architect Le Corbusier ontwierp in 1928 zijn eerste meubels. Zeer vernieuwend was dat hij niet langer hout, maar metaal gebruikte. De strakke, industriële uitstraling vermengde hij echter met de vormen van het menselijke lichaam. Want een meubel, zo vond hij, moet een verlengstuk van het lichaam zijn. Zijn combinatie van hard en zacht, recht en rond komt duidelijk naar voren in zijn meest verkochte stoel: LC4.

Een andere klassieker die strak en elegant tegelijkertijd is, is de ‘Barcelona Chair’ van Ludwig Mies van der Rohe. Of van iets latere tijd (1958) de ‘Egg Chair’ van Arne Jacobsen, de grootvader van het Deens design.

Radicaal design

Ondanks de vele mengvormen, was een zekere soberheid en functionaliteit de heersende norm. Daar kwam in de jaren 80 een einde aan. Dit was de tijd van het postmodernisme, de tijd van het radicale design.

Peetvader van deze uitbundigheid was de Italiaan Ettore Sottsass. Hij richtte in 1981 de Memphisgroep op, waar in een uiteenlopende mengeling van vorm, materiaal en kleur werd geëxperimenteerd. Functionaliteit was hier ondergeschikt. De meubels moesten alle zintuigen aanspreken en emoties losmaken. Bekende voorbeelden van Sottsass zijn de kasten Casablanca of Carlton.

In 1985 verliet Sottsass de Memphisgroep en niet veel later hield de beweging op te bestaan. Maar de invloed van haar speelsheid en gewaagde vormgeving was groot.

Exclusief design

Een groot deel van de 20ste eeuw was meubelsdesign gericht op de massa – functionaliteit en betaalbaarheid waren belangrijkrijk. Maar mede door de invloed van het radicale design kwam er een groeiende belangstelling voor het exclusieve meubeldesign.

Halverwege de jaren 90 stijgt het aantal designgalerieën. Zoals bijvoorbeeld Kreo in Parijs, waar meubels niet alleen worden geëxposeerd, maar ook in zeer kleine oplage geproduceerd. Lees in dit artikel meer over het commerciële succes van de exclusieve meubelmarkt.

Exclusief design komt niet alleen voort uit commerciële overwegingen, maar is soms ook simpelweg het gevolg van het productieproces. Neem bijvoorbeeld de ‘Big Knot’ van designgroep Hüttners. Deze hocker zier er uit als een scheepsknoop in superformaat. Het kost ervaren touwslagers 18 uur om de 80 meter touw te knopen die voor 1 ‘Big Knot’ nodig is.

Maar ondanks de huidige hang naar exclusief is het meest verkochte wandmeubel nog altijd de Billy. De meest simpele en sobere boekenkast, die Gillis Lundgren in 1978 ontwierp en die sindsdien bij IKEA in de winkel staat.  

Meer weten?

Een overzicht van belanghebbende meubelontwerpen zijn te zien in het boek ‘Moderne meubels. 150 jaar design’.
 

Tekst: Mirjam van Gogh, 20 oktober 2015.