In gesprek met animatiekenner Erik van Drunen

“Wil je dat ik in 1 woord benoem wat ik doe?”, lacht Erik van Drunen (Den Bosch, 55 jaar). “Noem me dan maar animatie- en filmconsulent.” Voor iemand die zowel als adviseur, docent, curator als coach actief is op het gebied van de animatiefilm valt het niet mee zijn werkzaamheden onder 1 noemer te scharen. Als samensteller was Van Drunen onlangs betrokken bij de tentoonstelling 'Move on…! 100 jaar animatiekunst'. In gesprek met een man die veel, heel veel over animatie weet.

Voor veel mensen staat animatie gelijk aan gezellige familiefilms. Is dit verband terecht?
“Het grootste deel van de animatie zíjn gezellige familiefilms. De associatie met de Walt Disney-films is sterk. Maar animatie is niet alleen maar familievermaak. In de voormalige Sovjetunie werd het structureel gebruikt voor propaganda. Daar leent animatie zich uitstekend voor. Of denk aan ‘Waltz with Bashir’ of ‘Persepolis’. Beide politiek beladen films voor volwassenen. Ze kregen prachtige recensies. En toch doen ze het slecht in de bioscoop. Want het heersende beeld is toch: animatie is voor kinderen.”
 

Waarom leent animatie zich goed voor propaganda?
“Met animatie kan je dat wat in de werkelijkheid onmogelijk is mogelijk maken. Het creëert een verbeelde wereld. In propaganda is alles geoorloofd om je tegenstander te schofferen. En animatie biedt de mogelijkheid om dat te verbeelden en daar heel ver in te gaan. Daarnaast kun je dingen ook juist heel voorzichtig brengen. Animatie zorgt voor een zekere abstractie en afstandelijkheid. Zaken die gevoelig liggen, zoals bijvoorbeeld ziektes of misbruik, kunnen door die afstandelijkheid wat makkelijker gebracht worden.
Ken je ‘Happy tree friends’? Lieve figuurtjes die elkaar tot bloedens toe kapot maken. In werkelijkheid zou ik daar niet om moeten lachen, maar dankzij animatie kan je dat grappig maken.”

 

Maakt de klassieke tekenfilm ook gebruik van deze abstractie?
“Zeker. Animeren is het bezielen van iets wat geen leven heeft. Met animatie kan alles een stapje verder, een stapje meer. Denk aan de klassieke tekenfilmfiguren, met van die grote ogen die er bijna uit poppen. Er wordt veel gewerkt met overdrijving, dingen die eigenlijk niet kunnen toch laten gebeuren. Het is niet voor niks dat Disney vooral bekend is om de geanimeerde sprookjes met antropomorfe figuren:een pratend varkentje met menselijke eigenschappen – dat zorgt voor een hoge aaibaarheidsfactor.”

 

De kunst van de overdrijving, dat klinkt heel Amerikaans.
“Amerika is ook echt de grondlegger van de tekenfilm zoals we die kennen. Het is daar ontstaan vanuit de cartoon en het vaudeville theater. De Europese ontwikkeling is meer voortgekomen uit de kunststromingen als het Dadaïsme en het Surrealisme. Hier werd het niet benaderd als vorm van amusement, maar als een bewegende kunstvorm. In de voormalige Sovjetunie was het weer anders. Daar hadden ze al snel in de gaten dat animatie een geschikte vorm was om het volk mee te onderwijzen. De bioscoop was in dit grote land een handige manier om veel mensen te bereiken.”
 

Animatie heeft een enorme technische ontwikkeling doorgemaakt. Hoe heeft het zich inhoudelijk ontwikkeld?
“De techniek is heel bepalend voor de inhoud. Wat je ziet is dat er bij een nieuwe techniek een beweging is dat er eerst geëxperimenteerd wordt met de mogelijkheden. Wat kan er allemaal? En als alles is uitgeprobeerd, keert de aandacht terug naar de inhoud. Met het begin van de digitalisering was er een beweging richting de hyperrealiteit. Kijk maar naar ‘Shrek’, elk haartje werd realistisch geanimeerd. Pas later komt de aandacht weer op de artistieke kwaliteit. Nu is er een ontwikkeling dat de filmmaker juist duidelijk laat zien de er gebruik is gemaakt van de computer. Bijvoorbeeld bij Low poly animaties. Het ambacht en de vormgeving staan dan weer in dienst van het artistiek ontwerp.”
 

Wat kenmerkt de Nederlandse animatie?
“Nederland is het land van de auteurs. Mensen die in hun uppie een film maken en álles zelf doen. Nederlandse animaties zijn vaak heel visueel. Ze vertellen een verhaal zonder nadruk op het gesproken woord. Ook de eigenzinnigheid en het experiment zou ik Nederlandse kenmerken noemen.”
 

De Nederlandse animatiefilm ‘A Single Life’ was dit jaar genomineerd voor een Oscar. Telt Nederland mee in animatie-land?
“Waar het in Amerika snel een echte industrie werd, blijft Europa daarin achter. Ook in Nederland is het nog erg gericht op individuele makers die veelal korte animaties maken. De opleidingen kwamen ook pas rond de jaren 90 op gang. Het Nederlands Filmfonds zet nu in op de versterking van de sector en probeert om succesvolle makers in Nederland te houden. Er is een beweging naar het maken van lange films en daarmee kan er meer een industrie op gang komen. Vorig jaar verschenen ‘Trippel Trappel’  en ‘Pim en Pom’ als eerste lange Nederlandse animatiefilms sinds ‘Als je begrijpt wat ik bedoel’ (1983)  van de Toonder Studios - en dat is alweer enkele decennia geleden. Maar voor zulke lange films zijn wel internationale partners nodig.”
 

U heeft natuurlijk heel erg veel animaties gezien. Heeft u een favoriet?
“Voor de tentoonstelling 'Move on…! 100 jaar animatiekunst' heb ik samen met collega Mette Peters een selectie van 50 animaties gemaakt. Dat waren er eigenlijk al te weinig… Maar om toch wat te noemen: iemand die heel goed toont wat je met animatie kan doen is de Tsjech Jan Svankmajer. In zijn animatiefilm ‘Meat Love’ laat hij 2 lappen rauw vlees de tango dansen en de liefde bedrijven. Alles kan.”

 

 

 

De tentoonstelling 'Move on…! 100 jaar animatiekunst' is t/m 10 mei in Kunsthal KAdE in Amersfoort. 

 

Tekst: Mirjam van Gogh, 31 maart 2015.