Spinoza als Amsterdamse koopman

Wanneer Spinoza is toegetreden tot de handelsonderneming van zijn vader Michael is niet meer vast te stellen. Veelal wordt verondersteld dat de dood van zijn broer Isaac in 1649 de aanleiding vormde. Omdat Spinoza niet in het register voor studiebeurzen voorkomt uit de jaren 1647 tot 1651, zou ook verondersteld kunnen worden dat hij na zijn bar mitswa de school verlaten heeft en niet aan de jesjiewa is begonnen.

Schaarse gegevens

De beslissing van een redelijk vooraanstaande joodse koopman als Michael de Spinoza om zijn buitengewoon intelligente zoon geen opleiding tot rabbijn te laten volgen is een raadsel dat door het ontbreken van gegevens uit de jaren 1641 tot 1649 niet is op te lossen. Michael was actief als parnas (bestuurslid) in de congregatie Bet Jacob en doneerde geld voor de studiebeurzen van Ets Haim. Deze activiteiten maken het moeilijk om zijn besluit te begrijpen. In elk geval kon hij de hulp van Baruch goed gebruiken, omdat zijn onderneming in zwaar weer gekomen was en zijn zoon Isaac hem ontviel. Naderhand werd ook de jongere broer Gabriel ingeschakeld.

Voor- en tegenspoed in de handel

De handel in citrusvruchten was in de zeventiende eeuw afhankelijk van de politieke verhoudingen tussen de Republiek enerzijds en Spanje, Portugal en Brazilië anderzijds. Na de beëindiging van het Twaalfjarig bestand in 1621 was handel met Spanje en Portugal vrijwel onmogelijk. Na de verovering van de zilvervloot door Piet Hein in 1628 had de West-Indische Compagnie het geld om een Nederlandse kolonie in Brazilië in stand te houden. Vanaf 1630 was die kolonie een alternatieve bestemming voor de Europese citrushandel en de handel in suiker. In de stad Recife werd de eerste synagoge van Zuid-Amerika gesticht. In 1640 zegde Portugal het bondgenootschap met Spanje op en sloot vrede met de Republiek; hierdoor kwamen de zuidvruchten uit de Algarve weer makkelijker beschikbaar voor de Hollandse kooplieden. De vrede tussen de Republiek en Portugal werd echter al in 1645 weer verbroken. De Vrede van Münster in 1648 maakte een eind aan de Tachtigjarige Oorlog en deed de handel met Spanje weer opleven. Het tij begon weer te keren in 1652 met het begin van de Eerste Engels-Nederlandse oorlog waardoor de handel via zee ernstig werd belemmerd. Bovendien werden de Hollanders in 1653 verdreven uit Brazilië. Na de vrede van Westminster in 1654 kon de handel pas weer echt toenemen.

Financiële problemen

De onderneming van de familie Spinoza had door al deze politieke verwikkelingen soms grote tegenslagen te verwerken. Een bijkomende schuldenlast betrof de afwikkeling van de failliete boedel van de handelaar Pedro Henriques. Op 8 juni was Michael door de Amsterdamse autoriteiten aangewezen tot curator. Henriques overleed evenwel enkele dagen later en zijn weduwe kon de schuldeisers niet betalen. Uit een notariële akte blijkt dat Michael als curator de schulden overgenomen heeft. Deze verplichting heeft tot na zijn dood de onderneming parten gespeeld.

De firma Bento y Gabriel de Spinoza

In 1654 overleed Michael de Spinoza en liet een onderneming met schulden na aan zijn zoons Bento (Baruch) en Gabriel. De jonge kooplieden werden tegen hun schuldeisers in bescherming genomen door Louis Crayers (1623-1677), een Amsterdamse jurist die ook Rembrandt en zijn zoon Titus van advies heeft gediend tijdens de afwikkeling van het faillissement van de schilder. Crayers wist gedaan te krijgen dat de broers in 1656 werden ontslagen van hun aanvaarding van de erfenis van hun vader en daarmee van zijn schulden. Baruch was de belangrijkste vennoot van de firma Bento y Gabriel de Spinoza. Hij trad voortvarend op in een geschil met de gebroeders Antonio, Gabriel en Isaac Alvarez, diamanthandelaren die in het krijt stonden bij de firma van Bento en Gabriel de Spinoza. Baruch liet Antonio gijzelen in de herberg “De vier Hollanders” in de Nes. De latere filosoof liep daarbij enkele rake klappen op van Gabriel Alvarez die hem bij de herberg had opgewacht. Uiteindelijk kwam het tot een vergelijk met de derde broer, Isaac, die beloofde de schuld te betalen en Spinoza’s verfomfaaide hoofddeksel te vergoeden.

De beurs

Als Amsterdamse koopman bezocht Spinoza ook geregeld de beurs. In 1611 was aan het Rokin een Beursgebouw geopend ontworpen door de beroemde bouwmeester Hendrick de Keyser. Het was 60 meter lang en 35 meter breed. Het gebouw was niet overdekt, op de zuilengang langs de vier zijden van het gebouw na. Op de beurs werd gehandeld in goederen, maar er ontstond in de zeventiende eeuw ook een levendige aandelenhandel. Door zijn bezoeken aan de beurs legde Spinoza veel contacten buiten de sefardische gemeenschap, met name met kooplieden uit het milieu van doopsgezinde en vrijzinnige christenen en dat zou van grote invloed zijn op zijn verdere ontwikkeling.