De voornaamste geschriften van Spinoza

“Als ze zouden kunnen spreken, zou een driehoek God bij uitstek driehoekig noemen en een cirkel God bij uitstek cirkelvormig. Zo schrijft elk zijn eigenschappen aan God toe en maakt zichzelf aan God gelijk en komt de rest hem wanstaltig voor”. Epistolae 56,5. Spinoza’s opvatting over het opperwezen leidde tot grote beroering en niet alleen in streng calvinistische kringen. Ondanks de tegenstand, de plakkaten en verboden van de calvinisten en de overheid hebben de meeste werken en brieven van Spinoza de eeuwen kunnen trotseren.

De Apologie (ca. 1656)

De ‘Apologia para justificarse de su Abdicacion de la Synagoga’ is het verweerschrift dat Spinoza in het Spaans opstelde ten tijde van zijn excommunicatie. Dit is een van de weinige documenten – naast een aantal brieven - die verloren is gegaan.

Korte verhandeling van God, den mensch en deszelfs welstand (ca. 1660,1661)

Niet gepubliceerd werk, waarvan in 1810 twee vertalingen werden ontdekt. De oorspronkelijke tekst in het Latijn is verloren gegaan. Het behoorde tot de nagelaten geschriften. De mens kan geluk bereiken door zich met behulp van de rede te bevrijden van kwade hartstochten.

Verhandeling over de verbetering van het verstand (1662)

De onvoltooide ‘Tractatus de intellectus emendatione’ is een verhandeling over een methode om tot ware, zuivere kennis te komen. Het werd pas gepubliceerd in 1877 in de postume werken.

Beginselen van de wijsbegeerte (van Descartes) (1663)

Dit werk verscheen onder de titel ‘Renati des Cartes Principa Philosophiae’ bij Rieuwertsz. Een jaar later volgde de Nederlandse vertaling. Het is het enige werk dat bij leven onder de naam Benedictus Spinoza is verschenen. Het is opgezet als studiemateriaal voor zijn Rijnsburgse leerling, de theoloog Casaerius. Spinoza beschrijft Descartes’ meetkundige methode om tot zuivere kennis te komen. In een appendix vult hij de Cartesiaanse methode aan met zijn eigen ‘metafysische gedachten’.

Theologisch-politiek traktaat (1670)

De ‘Tractatus theologico-politicus’ verscheen anoniem met een gefingeerde titelpagina. Het boek zou in Hamburg zijn uitgegeven door Henricus Künrath; in werkelijkheid was het werk in Amsterdam uitgegeven door Jan Rieuwertsz. Desalniettemin ging iedereen ervan uit dat Spinoza het geschreven had. Het werk loopt vooruit op Spinoza’s hoofdwerk de ‘Ethica’. Doordat het in tegenstelling tot dat werk niet van de wiskundige methode gebruik maakt, is het toegankelijker geschreven. Spinoza’s radicale opvattingen in dit tractaat over het geloof in wonderen, het auteurschap van de Bijbel, het bijgeloof en de intolerantie van de kerk in het eerste deel en zijn pleidooi voor vrijheid van meningsuiting en democratie in het tweede deel riepen felle reacties op in calvinistische kringen, maar ook onder remonstranten en volgelingen van Descartes. Het boek werd door de provinciale synodes verboden. Omdat het geschrift in het Latijn verscheen, bleef een soortgelijke reactie van de wereldlijke autoriteiten uit. Deze weerstand en mogelijk ook informatie van bevriende vertrouwenspersonen noopten de omstreden wijsgeer het uitgeven van een Nederlandse vertaling door Glazemaker uit te stellen.

Ethica (1675)

Spinoza voltooide de tekst waaraan hij al in Voorburg werkte in 1675. In dat jaar reisde hij naar Amsterdam voor de publicatie bij Rieuwertsz. Toen hem ter ore kwam dat er geruchten de ronde deden dat hij in zijn nieuwste werk het bestaan van God zou ontkennen, liet hij overeenkomstig zijn motto ‘caute’, de persen stilzetten. Ook de tekst van de Ethica verscheen daarom pas in 1677 in de postume werken. In de Ethica ontkent Spinoza het bestaan van God niet, maar stelt Hem gelijk aan de natuur, de werkelijkheid waarin de mens leeft. De Ethica geldt als hoofdwerk van Spinoza, omdat hij hierin op systematische en wiskundige wijze zijn gedachten laat gaan over God, de natuur, de mens, de menselijke kennis, het menselijk handelen, de emoties en de vrije wil.

Politieke Verhandeling (1676)

Het laatste grote werk van Spinoza is de ‘Tractatus Politicus’ waarin de filosoof mogelijke staatsvormen verkent: de constitutionele monarchie, de aristocratische republiek, de democratie. Dit werk is onvoltooid gebleven en eindigt midden in het hoofdstuk over democratie. Hierin stelt hij dat de democratische politieke macht zou moeten berusten bij de burgers die op eigen kracht een bestaan hebben opgebouwd, waarmee hij feitelijk vrouwen, werklieden en vreemdelingen van deelname aan de politiek uitsluit. Niet al zijn ideeën waren zijn tijd vooruit.

Overige nagelaten geschriften

Tot de nagelaten werken behoren een onvoltooide Hebreeuwse grammatica, een verhandeling over de regenboog en een verhandeling over de kansberekening. Ook bewaarde Spinoza nog een verzameling van 74 brieven in zijn woning. Hiervan zijn er 5 van zijn hand en de rest geschreven door zijn correspondenten. Behalve met Oldenburg en Leibniz (afbeelding) wisselde Spinoza gedurende enige of langere tijd brieven met zijn Amsterdamse vrienden, maar ook met tegenstanders, zoals de Dordtse, protestantse graanhandelaar Willem van Blijenbergh (ca. 1613-1694) en de Deense anatoom Niels Stensen (1638-1686), bij wie Spinoza in 1662 in Londen een anatomische demonstratie bijwoonde en die zich later tot het katholieke geloof bekeerde.