De latere levensjaren van Spinoza

Over de jaren na Spinoza’s excommunicatie uit de sefardische gemeenschap, 1656-1661, zijn weinig tastbare gegevens overgeleverd. Vast staat wel dat hij na zijn breuk met het joodse geloof – na een verzoek van rabbi Morteira - ook nog eens door de wereldlijke overheid uit Amsterdam verbannen werd, zij het niet levenslang maar voor enkele maanden.

Ouderkerk en Leiden

Spinoza ondervond stilzwijgend enige bescherming van leden van de Amsterdamse elite, waaronder Coenraad Burgh (1623-1669), heer van Kortenhoef en vanaf 1648 schepen van Amsterdam, Dirck Tulp (1624-1682), de zoon van de door Rembrandt tijdens zijn anatomische les geschilderde prof. Nicolaes Tulp en - in latere jaren - Johannes Hudde (1628-1704), burgemeester van Amsterdam. Zo zou de verbannen filosoof onderdak gekregen hebben op Tulpenburg in het buurtschap Kostverloren of op het landgoed van Coenraad Burgh bij Ouderkerk. Er zijn geen overgeleverde bronnen die dit onomstotelijk aantonen. Mogelijk heeft hij een tijd in Amsterdam in de boekhandel verbleven van Jan Rieuwertsz. voor wie hij correctiewerk verrichte en/of bij Van den Enden. Meer aanwijzingen zijn er voor een verblijf in Leiden in 1659 waar hij aan de universiteit zou hebben gestudeerd, al is er dan weer geen inschrijving overgeleverd.

Rijnsburg

In de zomer van 1661 verhuisde Spinoza, die zijn naam inmiddels veranderd had van Baruch in Benedictus, naar het dorpje Rijnsburg. Hij ging op kamers wonen bij de chirurgijn Herman Hooman. Deze behoorde tot de kring der collegianten, een verdraagzame, doopsgezinde beweging ontstaan in 1648. De collegianten hielden maandelijkse bijeenkomsten, colleges, waar een ieder het woord mocht voeren. Men was wars van theologische dogma’s en concentreerde zich op de persoonlijke band van de gelovige met God. Rijnsburg was een centrum van deze groepering, omdat deze heerlijkheid onder het rechtstreekse bestuur van de Staten van Holland viel en de kerkelijke overheid daar minder invloed kon uitoefenen op het dagelijks leven. Spinoza had al in Amsterdam contacten onder doopsgezinden; zelf is hij nooit toegetreden tot de collegianten. De filosoof had in Rijnsburg een studeervertrek en aangrenzend een werkkamer waar hij zich bezig hield met het slijpen van lenzen. Hij heeft zijn leven lang interesse getoond voor de optische wetenschap. In Rijnsburg zette Spinoza een inleiding tot de wijsbegeerte van Descartes op papier (‘Principia philosophiae Cartesianae’). Dit - mogelijk als studiemateriaal voor zijn inwonende leerling Johannes Casaerius (ca. 1642-1677) bestemde werk - werd in 1663 door Rieuwertsz. uitgegeven met een voorwoord van Lodewijk Meyer. Ook begon Spinoza in Rijnsburg een langdurige correspondentie met Heinrich Oldenburg (ca. 1619-1677), de uit Duitsland afkomstige secretaris van de Royal Society. De voorman van dit Britse intellectuele genootschap vereerde de steeds meer in aanzien rakende filosoof zelfs met een bezoek in Rijnsburg.

Voorburg

Van 1663 tot 1669/1670 heeft Spinoza in Voorburg gewoond. Hij had zijn intrek genomen bij Daniël Harmensz. Tydeman (gest. 1677). Deze schilder behoorde ook tot de vrijzinnige stroming onder de protestanten. Spinoza’s belangstelling voor lenzen, optica en wiskunde bracht hem in contact met Christiaan Huygens (1629-1695). Deze astronoom, wis- en natuurkundige en zoon van de dichter Constantijn Huygens woonde op het buiten Hofwijck, vlakbij Voorburg. Huygens, uitvinder van het slingeruurwerk en ontdekker van Titan, de maan van Saturnus, was ook lid van de Royal Society van Spinoza’s goede vriend Oldenburg. Ook had Spinoza in deze tijd regelmatig contact met de wiskundige Johannes Hudde, de latere burgemeester van Amsterdam.

Een veelbewogen tijd

De periode in Voorburg kenmerkte zich ook door grote onrust. Er waren grote internationale spanningen. De Republiek vocht op zee met Engeland de Tweede Engels-Nederlandse oorlog uit; te land was er een conflict met de bisschop van Münster die het oosten van het land binnenviel. Grote onrust bracht de pestepidemie van 1663 en 1664 te weeg. Alleen al in Amsterdam verloren meer dan 24.000 mensen het leven: 10% van de bevolking! Men week uit naar het platteland om besmetting te voorkomen. Spinoza vond onderdak op een boerderij in de buurt van Schiedam bij familie van Simon Joosten de Vries. Spinoza’s vriend Pieter Balling is waarschijnlijk aan deze epidemie bezweken. Simon Joosten zelf overleed in 1667 aan tuberculose. De sfeer in de Republiek werd grimmiger. De vrijheid van meningsuiting kwam steeds verder onder druk te staan. In 1669 bezweek Spinoza’s geestverwant Adriaan Koerbagh in gevangenschap en ook Spinoza kwam onder vuur te liggen na de publicatie van zijn ‘Tractatus Theologico-Politicus’. Ofschoon het geschrift in het Latijn en anoniem was verschenen, werd al gauw de naam Spinoza in verband gebracht met de als blasfemisch ervaren inhoud. Nadat hij en zijn gastheer Tydeman bovendien betrokken waren geraakt in een conflict rond de benoeming van een predikant, besloot de wijsgeer zich in Den Haag te vestigen, omdat hij daar meer machtige beschermers in de buurt had.

Den Haag

Omstreeks 1670 huurde Spinoza een kamer bij de weduwe van Willem van der Werve, bij leven advocaat bij het Hof van Holland. Hij leidde een teruggetrokken bestaan op zijn kamer drie hoog achter aan de Stille Veerkade 32. De weduwe vroeg een huur die Spinoza op den duur niet meer kan opbrengen. In mei 1671 vond hij een beter onderkomen aan de Paviljoensgracht 72. Dit pand, ooit in bezit van de landschapsschilder Jan van Goyen (1596-1656), werd bewoond door de interieur- en portretschilder Hendrick van der Spijck (ca. 1667-1715). Deze woonde er met zijn vrouw en drie opgroeiende kinderen. Het gezin was lutheraans. Spinoza kreeg een kamer op de eerste etage, die hij eenvoudig inrichtte met een werktafel, apparatuur om lenzen te slijpen, een schaakbord en een 150-tal boeken. De filosoof ontwikkelde in deze jaren ook een curieuze belangstelling voor spinnen die hij op zijn kamer hield en tegen elkaar liet vechten. De zorgzame Van der Spijck wist Spinoza er van te weerhouden om protest aan te tekenen tegen het lynchen van de gebroeders de Witt op 20 augustus 1672 en daarmee zijn leven in de waagschaal te stellen. Aan de Paviljoensgracht vond Spinoza de rust om verder te werken aan zijn belangrijkste wijsgerige werk, de ‘Ethica’, dat pas na zijn dood gepubliceerd zou worden, evenals enkele andere werken waar hij in Den Haag aan begonnen was. In deze periode kreeg Spinoza bezoek van de jonge Duitse filosoof, wiskundige, rechtsgeleerde en bibliothecaris Gottfried Wilhelm Leibniz (1646-1716). Beiden onderhielden een correspondentie over een onderwerp dat hun beider belangstelling had: het slijpen van lenzen. Maar Leibniz kwam vooral uit nieuwsgierigheid naar het manuscript van de Ethica naar Den Haag. Daarnaast kreeg Spinoza een aanbod voor een leerstoel aan de universiteit van Heidelberg; een aanbod dat hij afwees omdat hij betwijfelde of de in het vooruitzicht gestelde vrijheid van filosoferen wel zo absoluut was als werd voorgesteld in de uitnodiging. Spinoza bezocht nog enkele malen Amsterdam. Hij was bij vrienden in de stad toen in 1675 de nieuwe Portugese Synagoge (thans aan het Mr. Visserplein gelegen) van architect Elias Bouman (1636-1686) werd geopend. De bouw had 5 jaar in beslag genomen.

De dood van Spinoza

Het moet het laatste of een van de laatste bezoeken van Spinoza aan Amsterdam zijn geweest. Baruch had de fragiele gezondheid van zijn moeder geërfd. Gedurende zijn hele leven had hij zwakke longen. Het slijpen van lenzen heeft de verslechtering van zijn longfunctie nog versterkt. Omstreeks 1675 werd zijn gezondheidstoestand zorgwekkend. Hij leed aan tuberculose. De filosoof overleed op 21 februari 1677; hij werd bijgezet op de begraafplaats bij de Nieuwe Kerk op het Spui in Den Haag. De nalatenschap was bescheiden en bovendien bleek Spinoza nog bij enkele mensen in het krijt te staan. De met hoge verwachtingen naar Den Haag afgereisde familieleden – Baruch’s zuster Rebecca en haar stiefzoon Daniel de Cassares – keerden al snel onverrichter zake naar Amsterdam terug. De opbrengst van de door Hendrick van der Spijck georganiseerde openbare verkoping was net voldoende om de schulden te betalen.

De postume werken

Nog voor de veiling plaats vond en de familie arriveerde waren Spinoza’s manuscripten door de vrienden van de filosoof veilig gesteld en overgebracht naar Amsterdam naar de uitgeverij van Jan Rieuwertsz. Men liet er geen gras over groeien. Nog in het sterfjaar verschenen de ‘Opera Posthuma’, met daarin opgenomen de Ethica, in het Latijn, al snel gevolgd door een Nederlandse vertaling van Glazemaker: ‘De Nagelate Geschrifte’. Jarig Jelles schreef de inleiding. Daarna werd ook nog het volledige werk (‘Opera Omnia’) in het Latijn uitgegeven. Op 25 juni 1678 vaardigden de Staten van Holland en West-Friesland een verbod uit op de nagelaten werken van Spinoza: “(..) wy het selve verklaren by desen, voor prophaan, atheistisch ende blasphemant, vervolgens het verhandelen, verkoopen, drucken ende oversetten van het selve Boeck, mitsgaders van het translaet van dien, op de hooghste straffe ende indignatie wel scherpelijk verbiedende.”