De komst van de sefardische joden naar Amsterdam

De familie Spinoza of d’Espinoza behoorde tot de groep sefardische joden die zich aan het eind van de 16de eeuw in Amsterdam vestigden. Het woord ‘sefardisch’ is afgeleid van Sefarad of Sepharad, de vroegste joodse benaming voor het Iberische schiereiland. De familienaam Spinoza is - naar men algemeen aanneemt - afgeleid van de plaatsnaam Espinosa de los Monteros een - in 2016 - 1.782 inwoners tellend plaatsje tussen Burgos en Santander. De oorsprong van de familie moet in elk geval in die omgeving liggen.

De joden in Spanje

Het oudste teken van aanwezigheid van joodse inwoners in Spanje is een Hebreeuwse inscriptie, gevonden op een grafsteen in Adra in de provincie Almeria. Onder de Romeinen en in de periode van de Visigoten (418-554) nam het aantal joden op het Iberische schiereiland toe. Sommige vorsten beschermden de Joden, maar anderen probeerden hen te bekeren tot het christelijk geloof. Met de invasie van de Arabieren of Moren veranderde de situatie voor de joodse bevolking. Over het algemeen heerste er in de moorse periode een grote mate van tolerantie en ontwikkelde zich een joods-arabische cultuur met name rond centra als Granada en Cordoba. De belangrijkste vertegenwoordiger van deze cultuur was de joodse wijsgeer, arts en rabbijn Maimonides (1138-1204).

De reconquista

Het terugbrengen van het Iberisch schiereiland onder de christelijke invloedsfeer, de reconquista, begon na het uiteenvallen van het Kalifaat van Cordoba in 1035. Met de verovering van de laatste Arabische stad, Granada, in 1492 waren de Moren uit Spanje verdreven. De aandacht van de Katholieke Kerk richtte zich nu op de joden, die de keuze hadden om zich tot het christelijk geloof te bekeren of binnen drie maanden Spanje te verlaten. Het leidde tot een uittocht van circa 120.000 joden naar Portugal; anderen trokken naar Frankrijk, Italië, Noord Afrika, Griekenland en Turkije.

Marranen

De joden die in Spanje bleven, bekeerden zich, soms vrijwillig, meestal gedwongen, tot het katholieke geloof. De bekeerde joden werden ‘marranen’ genoemd. Deze benaming zou afkomstig zijn van het Spaanse scheldwoord ‘varkens’, maar de oorsprong wordt ook wel gezocht in de samentrekking van de woorden ‘mar’ en ‘anoesiem’, Hebreeuws voor ‘bitter en gedwongen’. De marranen, die vaak heimelijk hun joodse geloof trouw bleven, kregen te maken met de Inquisitie. Deze rechtbank was in 1478 ingesteld door Ferdinand van Aragon en Isabella van Castilië met als doel de orthodoxe katholieke leer in hun koninkrijk te handhaven. De grimmigheid van de vervolging wisselde van plaats tot plaats maar maakte het leven van de marranen buitengewoon onzeker.

De joden in Portugal

De koningen van Portugal waren aanmerkelijk toleranter dan die in Spanje. De joden die naar Portugal waren gevlucht kregen het echter ook daar steeds moeilijker. De eerste vervolgingen begonnen in 1503 en nadat Portugal door Spanje was ingenomen werd ook daar in 1547 de Inquisitie ingesteld. De uittocht van joden naar andere streken ging voort. Vanaf 1512 werd Antwerpen een belangrijk toevluchtsoord, totdat met de verovering van die stad in 1585 door de Spanjaarden onder aanvoering van de hertog van Parma ook deze weg werd afgesneden. Het nieuwe toevluchtsoord werd Amsterdam in de calvinistische Republiek der Verenigde Nederlanden.

Calvinistische tolerantie

In artikel 13 van de Unie van Utrecht (1579) was bepaald dat niemand in de Republiek kon worden vervolgd vanwege religieuze opvattingen. Voor de joodse nieuwkomers vormde dit de belangrijkste motivatie om zich in de Republiek te vestigen. Het recht om in het openbaar de joodse religie te praktiseren werd officieel in 1619 van kracht. Bescherming voor joden op economisch terrein volgde in 1657. Pas in 1796 - tijdens de Bataafse Republiek - werd volledige politieke gelijkheid toegekend. De orthodoxe calvinisten waren over het algemeen meer gebeten op katholieken, rekkelijke calvinisten en protestantse ketters dan op de joden; zeker zo lang zij hun eigen wetten naleefden en via de handel een bijdrage leverden aan de welvaart van de Republiek.

De Portugees-joodse gemeenschap

Vanaf 1593 begon er, met name in Amsterdam, een sefardische gemeenschap te ontstaan. Onder leiding van Jacob Tirado (ca. 1540-1620) werd in 1597 de eerste synagoge gesticht. De marranen waren bij aankomst nog officieel katholiek en bekeerden zich in Amsterdam tot het joodse geloof. Jacob Tirado zelf liet zich bij aankomst in de Republiek besnijden. Omdat joden uitgesloten waren van staatsambten en ook niet het beroep van apotheker of chirurgijn konden uitoefenen, waren ze vooral actief in de handel. Hierbij maakte men gebruik van vaak clandestiene contacten en tussenpersonen om een handel met Spanje, Portugal en later ook met de Portugese kolonie Brazilië op te zetten. De gemeenschap sprak onderling Portugees; zij gebruikte Hebreeuws bij de uitoefening van de godsdienst en Spaans als taal voor de letteren en de wetenschap.