De banvloek

De koopman Spinoza vervreemde langzamerhand van zijn joodse geloof en zijn familie. Wanneer dit proces begon is niet meer precies vast te stellen. Tot na de dood van zijn vader Michael in 1654, die trouw was aan zijn geloof, bleef Spinoza verbonden met de synagoge. De laatste vermelding van zijn naam in de archieven van de synagoge dateert van 1655. Innerlijk had hij toen al afscheid van zijn geloof genomen. De verhoudingen binnen de familie verslechterden na de dood van Michael vrij snel. Rebecca en haar man Samuel de Cassares wilden Spinoza uitsluiten van de erfenis. Het kwam zelfs tot een proces dat door Baruch werd gewonnen.

De Latijnse school van Franciscus van den Enden

Tussen 1652 en 1654 heeft Spinoza lessen gevolgd aan de Latijnse school van de voormalige jezuïet Van den Enden aan het Singel. Deze school werd vooral bezocht door zonen uit welgestelde doopsgezinde kringen, veelal behorend tot de stroming der mennonieten. Van den Enden hing zelf een ondogmatisch geloof aan. Hij onderwees zijn leerlingen de klassieke talen, de klassieke filosofie en de welsprekendheid. Mogelijk gaf Baruch zijn leermeester op zijn beurt les in Hebreeuws en Spaans. Via Van den Enden is Spinoza in aanraking gekomen met het werk van denkers uit de klassieke oudheid en de Renaissance en maakte hij kennis met het gedachtengoed van de in de Republiek omstreden filosoof René Descartes (1596-1650).

Descartes

De Franse filosoof René Descartes, ook wel bekend onder de Latijnse benaming Cartesius, woonde lange tijd in Amsterdam in de Kalverstraat en later aan de Westermarkt. Tijdens zijn verblijf in de Republiek schreef hij zijn belangrijkste studie ‘Discours de la méthode’ (1637). De Franse filosoof was tevens wiskundige en propageerde de menselijke rede en de logica als richtlijnen voor wetenschappelijk onderzoek. Met deze methode zou men de natuurverschijnselen moeten onderzoeken en op de Latijnse school van Van den Enden werd op deze wijze dan ook de Heilige Schrift bestudeerd. Dergelijk kritisch onderzoek, aangestuurd door wetenschappelijke twijfel, viel niet goed bij orthodoxe christenen; men vreesde dat geloof en moraal door de Cartesianen zouden worden aangetast. In 1642 werd Descartes’ filosofie aan de universiteit van Utrecht in de ban gedaan en in 1646 in Leiden.

Toneel

Van den Enden liet zijn leerlingen toneelteksten instuderen om hun kennis van de welsprekendheid te bevorderen. Vooral de monoloog was daartoe bij uitstek geschikt. Hij liet hen ook stukken van Terentius opvoeren in de Stadsschouwburg waarbij de vrouwelijke rollen door mannelijke acteurs werden gespeeld; dit tot groot ongenoegen van calvinistische burgers die zelfs probeerden de opvoeringen te voorkomen. Naar alle waarschijnlijkheid heeft ook Spinoza aan dergelijke theateruitvoeringen meegedaan. Citaten uit stukken van Terentius zijn ook in zijn geschriften terug te vinden. Na het bijwonen van, of deelnemen aan een toneelstuk werd Spinoza bij het verlaten van de schouwburg op een avond in 1655 opgewacht en aangevallen met een mes, dolk of ponjaard (de lezingen lopen uiteen). Spinoza wist de aanval af te weren, maar er zaten grote scheuren in zijn jas. Dat de filosoof de jas de rest van zijn leven heeft bewaard, is waarschijnlijk een legende. Dat Spinoza’s positie in Amsterdam in gevaar was, was dat echter allerminst.

De aanklacht

In 1656 werden Baruch Spinoza en de arts Juan Daniel de Prado (ca. 1615- ca. 1670), aangeklaagd. Zij zouden zich schuldig gemaakt hebben aan slechte handelingen, zich onttrokken hebben aan financiële verplichtingen ten opzichte van de synagoge en zij zouden zich niet aan de joodse wetten hebben gehouden. De beschuldigingen blijken echter verstrekkender te zijn geweest. Twee Spanjaarden, de augustijner monnik Tomas Solano y Robles en de legerkapitein Miguel Perez de Maltranilla hebben tijdens hun verblijf in Amsterdam zowel Spinoza als Prado ontmoet en legden naderhand - in 1659 – getuigenis af voor de Spaanse Inquisitie. Spinoza en Prado waren volgens deze getuigen door de Amsterdamse parnassim beschuldigd van het uiten van ketterse opvattingen over de menselijke ziel, over God en over de joodse wetten.

Cherem

Op 27 juli 1656 werd in de synagoge aan de Houtgracht een cherem, een banvloek uitgesproken tegen Baruch de Spinoza en Juan Daniel de Prado. De cherem bepaalde dat de persoon in kwestie uit de gemeenschap werd gebannen; met hem of haar mocht niemand meer spreken, een maaltijd gebruiken of handel drijven. Tussen 1622 en 1683 werd een veertigtal van deze banvloeken uitgesproken, die over het algemeen na verloop van tijd tot een vergelijk leidden. Juan de Prado kreeg in 1657 vergiffenis en werd gesommeerd naar het buitenland te vertrekken. Geen banvloek was echter zo onverzoenlijk als die tegen Spinoza. De vervloekingen in de cherem tegen Spinoza doen alleen denken aan die tegen Uriel da Costa (ca. 1583-1640). Ook deze jood hield er vrijzinnige filosofische opvattingen op na, werd uit de gemeenschap gebannen en na berouw in de synagoge gegeseld, waarna hij zich alsnog van het leven benam. De vervloekingen tegen Spinoza zijn buitengewoon hard en onverzoenlijk van toon en tekst en de cherem tegen hem is tot op de dag van vandaag niet herroepen. In 2015 werd in de Rode Hoed een symposium gehouden rond de vraag of de banvloek tegen Spinoza alsnog kan worden herroepen. De conclusie was dat een herroeping alleen mogelijk was als het betreffende individu binnen 30 dagen berouw toont en spijt betuigt. Met de dood van Spinoza in 1677 is de ban eigenlijk al formeel opgeheven. Bovendien hechtte de filosoof geen waarde aan religieuze voorschriften.

Apologie

Toch heeft Baruch Spinoza zich in die periode wel degelijk trachten te verdedigen en wel in een geschrift in het Spaans. Deze ‘Apologia para justificarse de su Abdicacion de la Synagoga’ is evenwel nooit verzonden naar de religieuze autoriteiten en naderhand verloren gegaan. Spinoza heeft dus nooit berouw getoond of gevraagd het vonnis te heroverwegen. Hij verliet de sefardische gemeenschap voorgoed.