De Amsterdamse vriendenkring

De Britse historicus Jonathan Israel beschouwt het gedachtegoed van Spinoza als de kern van het radicale Verlichtingsdenken dat zich aan het eind van de zeventiende eeuw in Europa manifesteerde en zich geleidelijk aan over het continent verspreidde. De radicale Verlichting zette de aanval in op de traditionele vormgeving van de Europese samenleving: de staatsordening en de religieuze beleving. Spinoza was de belangrijkste vertegenwoordiger van dat denken, maar hij had een aantal geestverwanten in Amsterdam.

Franciscus van den Enden (1602-1674)

Frans van den Enden is van grote invloed geweest op de wetenschappelijke vorming van Spinoza. De filosoof werd door de voormalige jezuïet ingewijd in de klassieke en nieuwere wijsbegeerte, het Latijn en het toneel. Van den Enden had ook staatkundige ideeën, die veel verwantschap vertonen met die van Spinoza. In ‘Kort Verhael van Nieuw Nederlants Gelegenheit’ (1662), eigenlijk een leidraad voor Nederlandse kolonisten in Delaware voor het inrichten van de ideale maatschappij, komen onderwerpen aan de orde als politieke gelijkheid, verwerping van slavernij en een wordt een ver gaande vorm van democratie bepleit. Evenals Spinoza trok Van den Enden de goddelijke oorsprong van Jezus en de wonderen in de Bijbel in twijfel. In 1671 verhuisde Van den Enden naar Frankrijk. Deelname aan een samenzwering van hoge edelen tegen Koning Lodewijk XIV werd hem fataal. De rebellerende groep wilde in Normandië een zelfstandige republiek naar de democratische beginselen van Van den Enden stichten. Hij werd gearresteerd, naar de Bastille overgebracht en op 27 november 1674 eindigde zijn leven aan de galg.

Jan Rieuwertsz. sr. (1617-1687)

Boekverkoper en uitgever Jan Rieuwertsz. was afkomstig uit een familie van mennonieten. Hij gaf werk uit waar anderen hun vingers niet aan wilden branden, zoals de werken van Descartes. Voor de uitgave van het nog controversiëlere werk van Spinoza gaf hij zich uit als ‘Henricus Koenraad, uitgever te Hamburg’. Na zijn ballingschap ontmoette Spinoza zijn geestverwanten vaak in een ruimte achter de boekwinkel van Rieuwertsz.,in de Dirk van Assensteeg, nu Dirk van Hasseltsteeg, waar hij waarschijnlijk ook vaak logeerde. De winkel van boekverkoper Rieuwertsz. heette ‘In ‘t Martelaersboeck’.

Jarig Jelles (ca. 1620-1683)

Met Jarig Jelles, handelaar in specerijen, vijgen en rozijnen was Spinoza zijn leven lang bevriend. Waarschijnlijk dateert die vriendschap zelfs uit de tijd dat Spinoza zelf koopman was. Jelles was afkomstig uit een welvarende Amsterdamse familie van Friese oorsprong. Hij ruilde een bestaan van handelaar in voor een leven in de studeerkamer. Jelles was een vooraanstaand lid van de doopsgezinde, vrijzinnige beweging der collegianten. Als zodanig zag hij het geloof vooral als een persoonlijke band met God. Nadat Spinoza Amsterdam verlaten had, bleef Jelles met hem corresponderen en hem financieel steunen. Voor de postuum verschenen werken van Spinoza schreef hij het voorwoord

Simon Joosten de Vries (ca. 1634-1667)

Spinoza’s meest innige vriend was Simon Joosten de Vries, afkomstig uit een Amsterdams mennonitisch handelsmilieu. Spinoza was ook goed bekend met de familie van De Vries; bij één van hen verbleef de filosoof in de winter van 1664-1665 op het platteland in de omgeving van Schiedam tijdens de pestepidemie. Simon Joosten overleed al op jonge leeftijd in 1667. Hij liet een groot vermogen na en had bepaald dat zijn zuster Trijntje en zijn zwager, Alewijn Gijsen, zijn goede vriend zouden ondersteunen met een ruim jaargeld.

Pieter Balling (overleden omstreeks 1669)

Ook Pieter Balling was een mennonitische koopman en net als Jelles pleitte hij voor een persoonlijke godsdienst in zijn door Jan Rieuwertsz. in 1662 uitgegeven verhandeling ‘Het licht op den kandelaar’. Via de beurs en Amsterdamse collegianten is deze vloeiend Spaans sprekende handelsman in contact gekomen met Spinoza.

Lodewijk Meyer (1629-1681)

Meyer studeerde filosofie en medicijnen in Leiden en is daar waarschijnlijk met Spinoza in contact gekomen. Hij was afkomstig uit een Amsterdamse lutheraanse familie. Lodewijk Meijer had een brede culturele belangstelling. Tussen 1665 en 1669 was hij directeur van de eerste stadsschouwburg aan de Keizersgracht die in 1772 vrijwel volledig verwoest werd door brand. In 1669 richtte hij naar het voorbeeld van de Académie Française een intellectueel genootschap op: Nil Volentibus Arduum (Niets is moeilijk voor hen die willen). Tijdens bijeenkomsten van dit genootschap, waar mogelijk ook Spinoza aan deelnam als hij in Amsterdam verbleef, werd gedebatteerd over filosofie, logica, ethiek, dichtkunst en toneel. In 1666 verscheen een anoniem werk in het Latijn met als titel ‘Filosofie, de uitlegger van de Heilige Schrift’ waarin ervoor gepleit werd via de menselijke rede de Bijbel te interpreteren. Dit abusievelijk aan Spinoza toegeschreven geschrift werd door de autoriteiten verboden. Het was echter van de hand van Lodewijk Meyer.

Johannes Bouwmeester (1634-1680)

Ook deze zoon van een Amsterdamse kleermaker studeerde filosofie en medicijnen in Leiden en is daar mogelijk met Spinoza in aanraking gekomen. Hij was net als Meijer lid van Nil Volentibus Arduum en samen met hem was hij in 1678 directeur van de schouwburg. Bouwmeester was betrokken bij de uitgave van het werk van Spinoza in het Latijn.

Jan Hendrik Glazemaker (ca. 1619-1682)

Deze vertaler van het complete werk van Descartes en de nagelaten werken van Spinoza in het Nederlands werd omstreeks 1620 geboren in Amsterdam. Zijn ouders behoorden tot de Vlaamse doopsgezinde gemeente. Behalve Descartes en Spinoza vertaalde hij werken van Montaigne en de Koran.

Dirk (Theodoor) Kerckring (1638-1693)

De jonge Baruch de Spinoza zou tijdens zijn studie aan de Latijnse school verliefd zijn geworden op de lieftallige en zeer intelligente dochter van Frans van den Enden. Deze Clara Maria zou hem hebben afgewezen. Het is een van de vele onbewezen verhalen rond het soms mager gedocumenteerde leven van Spinoza. Het lijkt erg onwaarschijnlijk dat een meisje dat toen dertien jaar oud was een veel oudere vrijer de deur wijst. Wat wel vaststaat is dat ze huwde met Dirk Kerckring, die ook wel als Theodoor bekend is geworden. Deze zoon van een Amsterdamse koopman was dan ook vijf jaar jonger dan Spinoza. Dirk en Clara huwden in 1671. Het echtpaar was katholiek. Kerckring studeerde na zijn opleiding bij Van den Enden medicijnen aan de Universiteit van Leiden. Hij werd een beroemd anatoom die een anatomische atlas, ‘Spicilegium Anatomicum’ uitgaf. Kerckring en Spinoza bleven ook in latere jaren met elkaar in contact.

Adriaan Koerbagh (1632-1669)

Adriaan Koerbagh studeerde filosofie en medicijnen aan de Universiteit van Leiden. Daar leerde hij samen met zijn broer Johannes de uit Amsterdam uitgeweken Spinoza kennen. De gebroeders Koerbagh werden in de Amsterdamse kring der spinozisten opgenomen. Vooral Adriaan ontwikkelde zich tot een vertegenwoordiger van de radicale Verlichting. In 1668 publiceerde hij ‘Een Bloemhof van allerley Lieflijkheyd sonder verdriet’; hierin werden de goddelijke afkomst van Jezus en de Drievuldigheid, de leer dat God zich manifesteert in de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, ontkend. Deze opvattingen, al in de zestiende eeuw, naar voren gebracht door Fausto Sozzini (1539-1604) waren voor de calvinistische autoriteiten volstrekt taboe. De gebroeders Koerbagh werden gevangen genomen op beschuldiging van ‘socinianisme’. Johannes werd weer vrijgelaten toen bleek dat Adriaan de auteur was. De onfortuinlijke Adriaan werd echter veroordeeld tot 10 jaar tuchthuisstraf en 10 jaar verbanning. Een jaar later stierf hij van uitputting in het rasphuis. Het tragische einde van Adriaan Koerbagh, zijn vriend en geestverwant, moet Spinoza tot het inzicht hebben gebracht dat het publiceren van zijn ideeën moest worden uitgesteld en alleen met de grootst mogelijke omzichtigheid kon plaatsvinden. Spinoza ging overigens na zijn excommunicatie uiterst voorzichtig te werk en had als levensmotto, ‘caute’, behoedzaam. Het motto was ook in zijn zegelring gegraveerd.