De kanteling

De economische en grootstedelijke ontwikkeling van Amsterdam voltrok zich vanaf de tweede helft van de 19de eeuw tot en met de 20ste eeuw in zuidelijke richting; met als sluitstuk de Zuidas. Deze ontwikkeling lijkt in de 21ste eeuw opnieuw te gaan kantelen in noordelijke richting.

Zuidwaarts

In de 19de eeuw was de Tolhuistuin een bekende uitgaansgelegenheid voor de Amsterdammer. Toch werd in die eeuw Amsterdam juist naar het zuiden uitgebreid met de Pijp, het Vondelpark en het Museumkwartier. Je noemt dit de kanteling van Amsterdam. Waar heeft dat aan gelegen?

Amsterdam lag zes eeuwen lang met het stadsfront naar het IJ. Zuid was de achterkant. In de loop van de 19de eeuw wisselde deze situatie. Die kanteling is bepalend geweest voor de ontwikkeling van Amsterdam aan het eind van de 19de eeuw en in de 20ste eeuw. Aanvankelijk lagen in het zuiden van de stad veel fabrieken: de Heinekenbrouwerij, een sterk vervuilende waskaarsenfabriek en de zwavelzuurfabriek van Ketjen in de buurt van het Leidsebosje. In een tijdsbestek van 10 tot 20 jaar klapte deze ontwikkeling om. De stad breidde zich naar het zuiden uit met gewilde en chique woonwijken in de buurt van cultuurpaleizen als het Paleis voor Volksvlijt en het Rijksmuseum. Vanwege de aanleg van het Centraal Station en de spoordijken gingen het IJ en Noord daarentegen als de industriële achterkant van de stad fungeren. Noord werd dus eigenlijk Zuid en vice versa.

Het IJ

Vormde het IJ daarbij een barrière?

Notabelen hadden grond gekocht in het zuiden van de stad en hadden belang bij het op een hoger peil brengen van die kant van de stad. Noord was nog redelijk leeg en dat kwam goed uit. De industrialisatie aan de zuidrand werd stopgezet. Een vervuilende fabriek als Ketjen werd naar Noord overgeplaatst. Het was eigenlijk een politieke, strategische ordening. Het IJ veranderde daarbij van een blauw plein in een fysieke en psychologische barrière. Er lag geen brug over het IJ; dus psychologisch gezien lag het verder van de stad af. Deze situatie is naderhand kunstmatig in stand gehouden.

De Gouden Eeuw van Noord

Het gewicht wordt volgens jou de komende tijd weer meer naar Noord verlegd.

Sinds het jaar 2000 heeft zich een tegenkanteling ingezet. Eigenlijk begon de transformatie met de bouw - aan het begin van de jaren ’80 - van de wijk IJplein en omgeving op het terrein van de voormalige Amsterdamsche Droogdok Maatschappij (ADM) en de regenkledingfabriek Hollandia-Kattenburg. Dat leek nog een op zichzelf staande transformatie. In de jaren ’90 volgde de ontwikkeling van het Oostelijk Havengebied. Amsterdam keerde zich weer naar het IJ. Vanaf 2000 volgden de transformaties elkaar snel op: de NDSM-werf (Nederlandsche Dok- en Scheepsbouw Maatschappij) ontwikkelde zich tot woon-, werk- en cultuurgebied. Filmmuseum Eye werd gebouwd en Overhoeks is een nieuwe stedelijke wijk. De teloorgang van de scheepswerven en het verplaatsen van fabrieksprocessen van Noord naar Westpoort heeft er toe geleid dat de Amsterdammers weer aan het IJ kunnen wonen en Noord heel erg in trek is.

Welke factoren spelen daarbij een rol?

Daarbij zijn de gentrificatie en de sociale woningbouw aan de orde. Enerzijds verzet men zich in Noord tegen de komst van import-Noordelingen; anderzijds heeft Noord een overschot aan sociale huurwoningen. Dat levert een spanningsveld op. In andere stadsdelen probeert men zo veel mogelijk woningen voor de vrije sector te bouwen. Zuid, West en het Centrum hebben bijna geen sociale woningbouw meer over. In Noord houdt men sterk vast aan behoud van zo veel mogelijk sociale huurwoningen. Zo ontstaat er een tweedeling: de armere wijken als Noord, Zuid-Oost en Nieuw-West versus de rijke wijken. Noord heeft een overcapaciteit aan sociale woningbouw; het is nodig dat sociale woningbouw beschikbaar blijft, maar in Noord zou ook woningbouw voor andere inkomensgroepen moeten plaatsvinden om een zeker evenwicht te krijgen.