Jan van der Heijden: Straatverlichting

In 1505 verplichtte de Amsterdamse overheid de burgers na het luiden van de boevenklok, om 9 uur ’s avonds, op straat een lantaarn mee te nemen. Voor de komst van de straatlantaarn was het ’s avonds aardedonker en gevaarlijk op straat. In 1544 werd de eerste kaarslantaarn ontstoken op de Zeedijk; meer dan een eeuw later zou de straatverlichting pas door een uitvinding van Jan van der Heijden echt verbeterd worden.

Raapolie

In 1669 kwam Jan van de Heijden met een lantaarn van koper of aardewerk voorzien van vier ruiten, waarvan er één geopend kon worden om de lantaarn aan te steken en schoon te maken. Op de lantaarn zat een snuiver, een soort schoorsteentje. Als brandstof werd raapolie gebruikt dat veel langer bleef branden dan een kaars en beter licht gaf. Een oliereservoir voorkwam het lekken van olie en daarmee brandgevaar. 

Opzichter van de stadsverlichting

Jan van der Heijden stelde de overheid voor de straatverlichting aan hem te verpachten, maar de burgemeesters van Amsterdam besloten deze taak in eigen beheer te nemen. Wel werd Van der Heijden als opzichter van de stadsverlichting aangesteld. Hij zag toe op onderhoud en  bediening van de lantaarns. De lantaarnopstekers moesten een eed afleggen dat ze de overgebleven olie teruggaven.

Serieproductie

Het meest opzienbarende aan de uitvinding van Jan van der Heijden was het gegeven dat hij de lantaarns in serieproductie kon vervaardigen met behulp van houten mallen en sjablonen. Ook ontwikkelde hij kannen die de exacte hoeveelheid olie konden bevatten om een lantaarn dertien en een half uur te laten branden in de winternachten en kannetjes met inhoud voor drieëneenhalf uur voor de zomernachten. Door deze serieproductie duurde het niet lang of bestellingen uit andere steden kwamen binnen. Zo kregen na Amsterdam Haarlem, Groningen, Hoorn, Den Haag en zelfs Berlijn en Potsdam de straatlantaarn van Van der Heijden.