Jan van der Heijden: De brandspuit

In 1697 kreeg Jan van der Heijden bezoek van Peter de Grote. De Russische tsaar probeerde hem over te halen met hem mee te gaan om in Rusland de brandbestrijding te organiseren. Van der Heijden was tot ver over de landsgrenzen bekend geraakt door een belangrijke uitvinding: de brandspuit.

Emmertjes

Op 7 juli 1652 was Jan van der Heijden getuige van de grote brand in het oude stadhuis van Amsterdam, dat volledig verloren ging. De brand werd bestreden door rijen mensen die emmertjes water uit het Damrak aan elkaar doorgaven. De bestrijding van branden liet nog veel te wensen over; belendende panden trachtte men met natte zeildoeken tegen het overslaan van het vuur te beschermen. Geveldelen van brandende panden werden omgetrokken om de vuurhaard te benaderen en dat was niet zonder gevaar voor de brandbestrijders. 

Octrooi

In 1672 verbeterden Jan en Nicolaes van der Heijden de brandbestrijding. Met zuigpompen op houten bokken en een slang werd water uit de gracht gehaald; via een andere linnen slang werd het vervolgens naar de brandspuit getransporteerd. Met een perspomp werd het water uit het spuitstuk gedreven. De brandbestrijder kon de spuit op de vlammen richten en panden betreden om de vuurhaard van dichtbij te bestrijden. In 1677 verwierven de gebroeders octrooi op hun ontwerp. Ze hielden demonstraties bij het nieuwe stadhuis (Paleis op de Dam) en de Westertoren. Ook de fabricage namen ze ter hand. De prijs van een brandspuit was 385 gulden; een spuit op wielen kostte 435 gulden. 

Organisatie

Jan van der Heijden was niet alleen als uitvinder actief in de brandbestrijding; hij zette ook een brandbestrijdingsorganisatie op. In alle zestig wijken van Amsterdam beschikte men over een brandspuit. Per wijk stonden een brandmeester, gildeleden en vrijwilligers klaar om uit te rukken bij brandalarm. Aan het hoofd van deze stedelijke organisatie stond de generaal-brandmeester: Jan van der Heijden in eigen persoon.