De zusters van de Liefde (1800-1952)

Omstreeks 1800 zou er een keerpunt komen in de welstand van het Maagdenhuis. Het vermogen groeide niet verder aan en de inkomsten uit huur, pacht en donaties liepen terug. Soberheid was geboden. Na de dood van Arnout Jan van Brienen in 1804 zette gaandeweg het verval in.

Kindersterfte, brandgevaar en dronkenschap

De achteruitgang van de kwaliteit van het eten, het gebrek aan lichaamsbeweging en frisse lucht en het gevaar van besmettelijke ziekten vormden een bron van zorg. In de eerste decennia van de 19de eeuw stierf ieder jaar 1 op de 35 meisjes. Daarmee stak het Maagdenhuis nog gunstig af bij het Aalmoezeniersweeshuis waar zelfs 1 op de 9 kinderen elk jaar het leven liet. De weesmeisjes hadden niet eens eigen borden en aten uit een gezamenlijke schotel. Regent Petrus Paulus Charlé (1771-1851) hief deze misstand enigszins op door bij zijn vijftigjarig ambtsjubileum in 1845 de kinderen een groot aantal tinnen borden te schenken. In 1820 sloeg de arts Christiaan Johannes Nieuwenhuijs (1775-1837) alarm in zijn ‘Proeve eener Geneeskundige Plaatsbeschrijving van Amsterdam’. Het mocht allemaal weinig baten. Opstoppingen in de riolering en opgehoopt putgas zorgden voor een ontploffing en een brand in 1855. Bovendien gaven de suppoosten van het Maagdenhuis een slecht voorbeeld. Zij waren geregeld dronken en buitten de meisjes uit. De regenten kwamen halverwege de eeuw tot de slotsom dat het zo niet langer kon.

De zusters uit Tilburg

Na lang wikken en wegen besloten de regenten de dagelijkse leiding van het weeshuis op te dragen aan de Zusters van de Liefde van O.L.V. Moeder van Barmhartigheid uit Tilburg. De eerste twee zusters arriveerden op 14 november 1843 in Amsterdam. Op 16 juni 1850 werd het Maagdenhuis een klooster van de zusters. Als leefregel werd de ‘Cleyne Regule van Leven voir die gheene die daer woenen int Maegden huys binnen’, toegepast, gebaseerd op de 300 jaar oude leefregel van de zusters. Dat hield in dat de weesmeisjes om 5 uur ’s ochtends (in de zomer), of 6 uur (in de winter) moesten opstaan. Daarna volgde een dag van bidden, werken, eten, terwijl werd voorgelezen uit een stichtelijk boek, van naai-, verstel- en breiwerk en van opnieuw gebed en gewetensonderzoek.

Strengheid

Het Maagdenhuis werd onder de nonnen uit Tilburg een strenge instelling. De weesmeisjes mochten op de eerste zondag in de maand familie ontvangen, maar mochten zelf nog maar vier keer per jaar de instelling voor familiebezoek verlaten. Bij terugkeer werd tot op het ondergoed gecontroleerd of er geen snoep het Maagdenhuis werd binnengesmokkeld. Op 12 mei 1910 ontsnapte een van de weesmeisjes via het raam van de regentenkamer voor een afspraakje met een jongen, die ook nog eens van protestantse huize was. Moeder-Overste Raymunde (werkzaam van 1889-1913) liet er geen gras over groeien en verbande het meisje naar de gesloten instelling De Goede Herder in Tilburg. Onder Moeder Genoveva (werkzaam van 1929-1942) werden de teugels wat gevierd en mochten meisjes, in geval van verkering, hun jongen aan haar komen voorstellen. Na de oorlog mochten weesmeisjes zelfs naar dansles.

Geneeskundige zorg

De gezondheidszorg verbeterde onder de Tilburgse zusters. Dokter Rademaker onderzocht rond de eeuwwisseling alle meisjes elk half jaar. Op medisch advies werden kinderen soms voor herstel naar Schiermonnikoog of naar Klarenbeek gestuurd. Ook was er een balkon aan de binnenplaats van het Maagdenhuis waar zieken konden aansterken (zie afbeelding). Tandarts Kauling was verantwoordelijk voor de gebitsverzorging. Ook de conditie van de meisjes, die vaak langdurig voorover gebogen moesten werken, werd aangepakt door middel van heilgymnastiek. Toch vielen aan het begin van de 20ste eeuw nog slachtoffers door de Spaanse griep en de tuberculose.

Sluiting

In 1928 deed de eerste ‘halve wees’ - een kind dat een van beide ouders verloren had - haar intrede in het Maagdenhuis. Het aantal wezen was in het begin van de 20ste eeuw zo zeer geslonken dat de regenten probeerden via deze nieuwe aanwas hun bestaansrecht te rekken. De nieuwe bewoners werden door sommige weeskinderen als indringers gezien en de sfeer werd er daardoor niet beter op. Na een korte opleving daalde het aantal weeskinderen na de oorlog nog verder. De financiële positie van de instelling werd steeds slechter. Tot dan hadden de regenten belangstellenden voor het monumentale pand altijd nul op het rekest gegeven, maar toen men in 1950 benaderd werd door een aannemer, die kwam onderhandelen over de aankoop van het Maagdenhuis en een bod deed van 2.200.000 gulden, ging men overstag. Het Maagdenhuis sloot in 1952. De kinderen werden voor een deel ondergebracht in een paviljoen in de tuin van Huize Sint Elizabeth en voor een deel bij pleeggezinnen geplaatst. Het Maagdenhuis zou een bankgebouw worden.