De eerste behuizing aan het Spui (1628-1783)

Op 12 augustus 1628 legde regent Pieter Pietersz. Can de eerste steen voor het nieuwe Maagdenhuis aan het Spui, dat in die dagen nog een gracht was. De regenten hadden twee huisjes aangekocht en zouden later nog enkel belendende percelen verwerven. Het pand dat nu voor het eerst als ‘Maagdenhuis’ werd aangeduid had het voorkomen van een dubbel grachtenhuis. Met de bouw was een bedrag van 12.117 gulden gemoeid.

De indeling van het gebouw

Rechts naast de ingang werd de opkamer ingericht als regentenkamer. Daarachter lag de eetzaal. Het pand bevatte twee slaapzalen, waar de meisjes in kribben sliepen. Elke kribbe bood plaats aan drie wezen. Er was daarnaast een ziekenzaal met enkele kribben en een ruimte voor onderricht. Bovenin het gebouw was de woonruimte voor het personeel, de linnenkamer, een werklokaal en de droogzolder. De keuken bevond zich aanvankelijk waarschijnlijk in een apart bijgebouw. De kerkruimte heeft zich in het begin op zolder bevonden, later verhuisde deze huiskapel naar een zijvleugel. In de loop van de achttiende eeuw breidde het gebouw zich uit. Sommige slaapzalen, de ziekenzaal en de voorraadkamers werden in zijvleugels ondergebracht. De pastoor en de schoolmeester vestigden zich op het terrein. De regentenkamer werd later verfraaid met een schoorsteenmantel en schoorsteenstuk van Jacob de Wit (1695-1754) (zie afbeelding), een in die tijd veel gevraagd kunst- en decoratieschilder. Dit schilderstuk had de werken van barmhartigheid als onderwerp.

Regenten, regentessen en binnenvrouwen

Het Maagdenhuis werd bestuurd door vier regenten. Twee regentessen hadden de dagelijkse leiding. Benoeming gold voor het leven. Om de week op woensdagmiddag kwamen regenten en regentessen in vergadering bijeen. Daarnaast bestond het vaste personeel uit ‘binnenvrouwen’. Deze dames voerden de huishouding en leerden de weesmeisjes linnen naaien en breien. Uitdrukkelijk was bepaald dat de vrouwen de meisjes niet mochten slaan.

Uitgaven en inkomsten

In het Maagdenhuis verbleven meer dan tweehonderd meisjes. In 1732 waren er 225 weeskinderen; dat aantal nam toe tot 241 in 1765. In eerstgenoemd jaar werd ca. 18.000 gulden aan het huishouden uitgegeven, waarmee de verzorging per kind op gemiddeld 80 gulden uitkwam. De instelling had voor de zorg en het huishouden en tevens voor de aankoop van belendende percelen geld nodig. Het grootste deel van de inkomsten kwam uit obligaties en onroerend goed. Daarnaast werd geld verdiend aan het breiwerk en linnengoed van de weesmeisjes. Twee maal per jaar werd een collecte gehouden langs huizen van katholieken. Legaten en giften vormden ook een belangrijke bron van inkomsten. Omstreeks 1700 had het Maagdenhuis een vermogen van 2 ton; aan het eind van de eeuw was dat gegroeid tot 1 miljoen.

Dagelijks leven

Nog altijd ging in de zomer om 5 uur de bel. De meisjes moesten zich in een half uur gereedmaken, vervolgens werden gebeden opgezegd en moesten ze een uur schrijven. Om 7 uur kregen ze een stuk brood dat terloops genuttigd werd, want ze werden in hun ‘winkels’ (werklokalen) voor brei- of linnenwerk verwacht. Om 12 uur ging opnieuw de bel, werd er gegeten en mochten de kinderen tot half 2 spelen. Daarna gingen ze opnieuw tot 7 uur ’s avonds naar hun werkplaatsen. Na het avondeten en de avondgebeden moest iedereen om 10 uur in bed liggen. In de winter werd later opgestaan en werd het schrijfonderricht verplaatst naar de achternamiddag. Op zondag ging men om half 7 voor de kerkdienst naar de kapel. Na de mis moest een van de kinderen voorlezen uit de Bijbel. Eens in de twee weken kregen de meisjes verlof naar buiten te gaan. De ene zondag hadden de grotere meisjes verlof; de andere zondag de kleintjes.

Uitbreidingen van het Maagdenhuis

In de directe omgeving van het Maagdenhuis lagen in het begin van de 17de eeuw de schietterreinen van de Handboog- en Voetboogdoelen. De handboogschutters hadden hun hoofdkwartier aan het Singel naast het Bushuis; de voetboogschutters of kruisboogschutters op de plaats waar nu het hoofdgebouw van de Universiteitsbibliotheek staat, eveneens aan het Singel. De schietterreinen van de schutterij kwamen omstreeks 1650 vrij voor andere doeleinden. Vanaf die tijd begon het Maagdenhuis belendende erven en percelen aan te kopen. In 1705 en 1736 werden twee huizen in bezit verworven aan de naastgelegen Handboogstraat. Deze panden werden vervangen door nieuwbouw. Omstreeks 1737 werden nog vier belendende panden aangekocht. In 1752 mocht het jongste weesmeisje, de vierjarige Anna Maria Gens, de eerste steen leggen voor een hele nieuwe vleugel aan de Handboogstraat. Ook in 1780 werden weer panden aangekocht en omstreeks deze tijd begon het plan te rijpen voor algehele nieuwbouw.

Het eerste ontwerp van Abraham van der Hart

Stadsbouwmeester Abraham van der Hart (1747-1820) maakte een eerste ontwerp met een vleugel met kapel aan de Voetboogstraat en een vleugel met regentenkamers aan het Spui. Het plan werd echter nooit uitgevoerd, omdat de Republiek voor de vierde maal in oorlog raakte met de Britten, wegens steun aan de rebellen in de Britse bezittingen in Amerika. Tijdens deze Vierde Engelse Oorlog (1780-1784) stagneerde de aanvoer van hout en stegen de prijzen van bouwmateriaal. Toen in 1782 18 en in 1783 nog eens 23 weesmeisjes het leven lieten bij het uitbreken van besmettelijke ziekten werd nieuwbouw toch weer overwogen en werd gekozen voor een heel nieuwe, ruimere opzet met meer aandacht voor goede ventilatie.