De bouw van het nieuwe Maagdenhuis (1783-1800)

In 1783 werd begonnen met de sloop van het Maagdenhuis. De weesmeisjes kregen tijdelijk onderdak in het Spinhuis aan de Oudezijds Voorburgwal. De bouw kon mede gefinancierd worden uit de nalatenschap van Hendrik Jacob van Naarden. Deze zeer vermogende huizenbezitter liet het weeshuis veel onroerend bezit na in Amsterdam, waaronder de panden Keizersgracht 820, Prinsengracht 1099 en Herengracht 428. Ook het landgoed Endelhoven bij Maarssen behoorde tot de nalatenschap.

De bouwregenten

Het bouwproces stond onder leiding van de vier regenten van het Maagdenhuis: Jan François van Lilaar van Stoutenburg (ca. 1727-1792), Adriaen Joan Cloeting van Westenappel (regent van 1746-1794), Dionijs Adriaan Roest van Alkemade (1715-1791) en  Arnoud Joan van Brienen, ambachtsheer van de Groote Lindt (1735-1804). Laatstgenoemde was de voornaamste bouwregent. Op het in 1788 door Adriaan de Lelie (1755-1820) geschilderde groepsportret van de regenten staat van Brienen dan ook afgebeeld met de bouwtekeningen. Vlak voor zijn overlijden zou hij Abraham van der Hart nog de opdracht geven een hofje te bouwen aan de Prinsengracht voor rooms-katholieke bejaarden. Deze instelling zou uiteindelijk het ‘Van Brienenhofje’ gaan heten (zie afbeelding). 

Het definitieve ontwerp van Abraham van der Hart

Van der Hart voegde in een nieuw ontwerp nog twee vleugels toe aan zijn plan uit 1780. Hierdoor zou het hoofdgebouw twee zijvleugels krijgen aan de Handboog- en aan de Voetboogstraat, die op hun beurt door een achtergevel verbonden werden. De voorgevel werd verdeeld in een basement en een bovengedeelte gescheiden door een horizontale lijst. Daarnaast werd de gevel ook verticaal geleed in zogenaamde nissen, waarin de vensters zijn aangebracht. Het hoofdgebouw betrad men via een stenen stoep met ijzeren balusters. Aan weerszijden van de gevel waren twee Franse lantaarns aangebracht en het Maagdenhuis werd omgeven door 54 stenen palen.

Het medaillon

De gevel werd bekroond door een fronton in Bremer steen met een medaillon dat gemaakt werd door de uit Hannover afkomstige stadsbeeldhouwer Anthonie Ziesenis (zie afbeelding) (1731-1801). Ziesenis leverde eerder het beeldhouwwerk voor onder meer de Muiderpoort (1770) en de Oudemanhuispoort (1786). Het medaillon had als uitgangspunt de Bijbeltekst ‘Laat de kinderen tot mij komen’ (Marcus 10:14). Twee weesmeisjes worden omgeven door symbolen als een brandend hart (liefde), een kruis (geloof), een wierookvat (geloof), een anker (hoop) en een duif met een olijftak (hoop). In september 1787 was het fronton voltooid.

De regentenkamers

De regentenkamer en de regentessenkamer waren te vinden aan de voorzijde van het hoofdgebouw. De dames en heren hadden vrij zicht op het Spui. De regentessenkamer had een bergplaats voor het linnen en een schoorsteen met decoraties van Ziesenis en Jacob de Wit. De regentessen bekostigden samen het vloerkleed. Voor hen werden geen nieuwe meubels aangeschaft; voor de regenten werden daarentegen nieuwe, mahoniehouten meubelen besteld. De heren lieten zich portretteren door Adriaan de Lelie, gezeten in hun nieuwe, mahoniehouten stoelen. De gehele inrichting van hun vertrek betaalden zij uit eigen zak en bovendien doneerde elke regent nog een aanzienlijk bedrag aan het Maagdenhuis. De nieuwe regent Joannes Baptista van Ceulen (1754-1819) schonk de monumentale spiegel. De regentenkamer, waar ook de brandkast bewaard werd, fungeerde tevens als kantoor en spreekkamer en er waren dan ook mahoniehouten lessenaars, kantoorstoelen en een viertal balies. Aan de wand hing het regentenportret van De Lelie en een schilderij van de vier aartsvaders van Lambert Jacobsz.(1598-1636).

De pastorie en de kerk

Nauw betrokken bij de bouw van het nieuwe Maagdenhuis was ook pastoor Jacob Cramer (1778-1824)(zie afbeelding), die in 1811 benoemd zou worden tot aartspriester van Holland. Hij bewoonde een pastorie van vier verdiepingen met een fraaie wenteltrap in de zuidoosthoek van het complex, naast de kleine kerk in de Voetboogstraat. Het ontwerp van Van der Hart voorzag niet in een altaar, maar de ondernemende Cramer tikte in Antwerpen een tweedehands altaar op de kop en bestelde een nieuw orgel bij de in Leiden woonachtige, Oostenrijkse orgelbouwer Johannes Mittenreither (1733-1800). De preekstoel en de mahoniehouten communiebank werden vervaardigd door de schrijnwerker Hendrik Masker. De kerk was tot het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in 1853 ook toegankelijk voor katholieken die niet inwonend of verbonden waren aan het Maagdenhuis. Enkele jaren na de oplevering van deze religieuze ruimte brak er een conflict uit over het privilege van de regenten om op hun eigen bank de mis bij te wonen. Gelovigen die aan de kant van de patriotten stonden, wilden op hun plaats zitten als zij niet aanwezig waren. De eigenzinnige Cramer, die op slechte voet met de regenten verkeerde, liet de regentenbanken uit de kerkruimte verwijderen en op zolder opslaan.

De slaapvertrekken en werklokalen

De inrichting van het Maagdenhuis was verder vrij sober. De muren van de verschillende zalen en vertrekken waren wit gepleisterd, de versiering was minimaal; vaak een houten crucifix, of een vermanend gedicht. De ziekenzalen, de eetzaal en de werkplaatsen hadden een kachel, maar de slaapzalen waren onverwarmd. Er waren 325 slaapplaatsen en de opzet was ruimer vanwege besmettingsgevaar. Maar de meisjes sliepen nog steeds in driepersoons kribben. Boven de regentenkamer, aan de voorkant, lag de linnenkamer waar de oudste meisjes werkten. Daarnaast was er een lapwinkel waar kleren werden hersteld en een wollennaaiwinkel waar nieuwe kleren gemaakt werden. Omstreeks 1800 verbleven zo’n 400 meisjes in het nieuwe gebouw. Zij werden verzorgd door 13 vrouwen.