Overige locaties uit het Amsterdam van Multatuli’s jeugd

Eduard Douwes Dekker groeide op aan de Haarlemmerdijk. Als hij de ouderlijke woning verliet, zag hij in de verte de Haarlemmerpoort en die vormde in die dagen de uiterste grens van de bebouwing van de stad. In het centrum van Amsterdam ging hij naar school en op catechisatie.

Singelkerk

Singel 452. Hier kreeg de jonge Eduard les in de geloofsleer bij dominee Abraham Doyer (1794-1851; predikant in Amsterdam vanaf 1828.) De catechisatie gold als voorbereiding op de doop en de openbare belijdenis. In het geval van Eduard bleek dat vergeefse moeite, want tussen de jaren 1832 en 1838 moet hij aan het geloof zijn gaan twijfelen. De Singelkerk was oorspronkelijk een schuilkerk, een niet als godshuis herkenbaar gebouw. In 1607 kwamen de eerste gelovigen aan het Singel bijeen in een schuur op een stuk grond dat in eigendom was van de uit Duitsland afkomstige, doopsgezinde rentenier Harmen Hendriksz. van Warendorp (ca. 1560-1632). In 1639 werd de schuur vervangen door de schuilkerk. De gemeente werd ‘Bij ’t Lam’ genoemd, naar de gevelsteen van een nabijgelegen brouwerij, waarop een lammetje stond afgebeeld. In 1668 fuseerde deze geloofsgemeenschap met de Waterlandse gemeente ‘Bij de Toren’ tot de gemeente ‘Bij het Lam en de Toren’ en in 1801 met ‘Bij de Zon’ tot de Verenigde Doopsgezinde Gemeente Amsterdam.

De Franse school van Meskendorff

Aan de Warmoesstraat 140, naast de Papenbrugsteeg, stond de Franse school van meester Hendrik Roelof Meskendorff (1805-1865). Hij was in 1829 tot schoolhouder benoemd door de gemeentelijke schoolcommissie. Eduard volgde de lessen bij deze ‘mesjeu’ van 1829 tot 1832. De Franse school gold als voorbereiding op de Latijnse school; dit type onderwijs, dat sterk op de praktijk gericht was, heeft bestaan van de 16de tot in de 19de eeuw. De leerlingen kregen lezen, schrijven, rekenen, aardrijkskunde, geschiedenis, Engels, soms Duits en – vanzelfsprekend - Frans. Meskendorffs school was van de zogenaamde ‘tweede klasse’, bestemd voor de middenstand. Alle geloofsrichtingen waren welkom. Het voormalige schoolgebouw brandde tot de grond toe af op 24 april 1940.

De Latijnse school

De Latijnse school was een vervolg op de Franse school en qua type onderwijs te vergelijken met de latere gymnasiumopleiding. Deze Amsterdamse onderwijsinstelling aan het Singel 447-459, was aanvankelijk – vanaf 1666 – gevestigd in het Aalmoezeniershuis. Het latere gebouw aan het Singel werd in 1897 gesloopt. De school is te beschouwen als de voorloper van het Barlaeus gymnasium. De leerlingen kregen er Latijn, Grieks, Frans, geografie, geschiedenis, wiskunde, logica en fysica. Eduard verbleef hier van 1832 tot 1835. Hij raakte er bevriend met Bram des Amorie van der Hoeven (1821-1848) en was eigenlijk net als zijn schoolmakker voorbestemd predikant te worden. Eduard had een onbuigzaam karakter en gedroeg zich al op jonge leeftijd onafhankelijk. Mogelijk is dat de reden geweest dat zijn vader hem in 1835 van school haalde. Het werd tijd dat hij geld ging verdienen

Textielfirma Van de Velde

Textielfirma Abraham van de Velde was gevestigd aan het Singel 134. Eduard Douwes Dekker werkte er als jongste bediende van 1835 tot 1838. Het bedrijf heeft model gestaan voor de manufacturenzaak Ouwetyd en Kopperlith, waar Woutertje Pieterse loopjongen was. Ook hier gaf de jonge Douwes Dekker blijk van een onafhankelijk karakter. Eduard moest onder meer brieven afhalen bij het postkantoor, waar hij wel eens een praatje maakte met een arme jood, die er potloden en pennen ventte. De oudste zoon van Van de Velde trof hem in druk gesprek met de handelaar en gaf hem naderhand de wind van voren. In 1838 nam Eduard ontslag en voer op 23 september met zijn vader mee naar Nederlands Indië.

Hartenstraat

Het verhaal Woutertje Pieterse begint in de Hartenstraat waar de hoofdpersoon bij een leesbibliotheek het roververhaal Glorioso leent. Hij verkwanselt zijn bijbeltje om het leengeld van 14 stuivers te kunnen betalen. In de Hartenstraat was in de jaren ’30 van de 19de eeuw de boekhandel annex leesbibliotheek gevestigd van Gerbrand Roos. Roos was daarnaast ook nog uitgever. In leesbibliotheken als die van Roos kon men populaire lectuur lenen en romannetjes van een wat lager allooi. De boekjes werden gedurende vele jaren voor uitlening gebruikt, zodat ze op den duur vies en stukgelezen waren. Op die manier kon de uitbater van de leesbibliotheek zo lang mogelijk profiteren van zijn investering. Het verhaal heeft een min of meer autobiografische oorsprong. Eduard stal het benodigde leengeld van zijn ouders en leende met zijn vriend en klasgenoot Jan Reinhardt Scholten bij Gerbrand Roos een boekje met de avonturen van de Italiaanse roverhoofdman Rinaldo Rinaldini, geschreven door Christian August Vulpius (1762-1827) (afb.).

Hogesluis

Eduard Douwes Dekker was er getuige van hoe de baret van een joods jongetje bij de Hogesluis van het hoofd waaide en in het water van de Amstel terecht kwam. Het knaapje droeg de baret, omdat het die dag sabbat was en hij was ontdaan over het verlies van zijn hoofddeksel. Het publiek vermaakte zich om de angst van het joodse jongetje. Eduard wist de baret uit het water te vissen en toonde voor het eerst zijn karaktertrek om tegen de heersende stemming van landgenoten in - als individu - een ander standpunt in te nemen.

Noordermarkt

Op de Noordermarkt staat het beeldje van Woutertje Pieterse en Femke van beeldhouwer Frits Sieger. Wouter ontmoet dit meisje in Idee 512. Femke is de dochter van een katholieke wasvrouw; zij is ongeveer 14 jaar oud en woont met haar moeder bij de Aspoort. Multatuli doelt op de Raampoort aan het Singel ter hoogte van Bloemgracht en Lijnbaansgracht. Deze poort is in 1844 gesloopt. De naam Aspoort hangt samen met de nabijgelegen kolenstortplaats. De sculptuur is gebaseerd op de passage: “Hy legde ‘t (het boekje) op de leuning van de brug, en begon te lezen. Femke, groter dan hy, had den arm om z’n hals geslagen (..)”. Wouter ging op catechisatie in de Noorderkerk aan de Noordermarkt.
Frits Sieger (1893-1990) maakte – evenals Hildo Krop (1884-1970) – beeldhouwwerk in de stijl van de Amsterdamse School. Hij maakte het borstbeeld van PC Hooft aan de Stadhouderskade en het oorlogsmonument ‘De Stenen Man’, ter herinnering aan Kamp Amersfoort. De beeldhouwer was actief in het verzet tijdens de Duitse bezetting.

Herenmarkt

Op 3 juli 1835 vond het Soeploodsoproer plaats van huizenbezitters, die in verzet kwamen tegen de opgelegde onroerendgoedbelasting. Zij staken met terpentijn op de Herenmarkt de loods in brand, waar in de winter soep werd uitgedeeld aan arme mensen. De rebellen pleegden zelfs een - mislukte - aanval op het huis van burgemeester Frederik van de Poll (1780-1853). Multatuli was getuige van het oproer en verwerkte het in Woutertje Pieterse, waar de hoofdpersoon de woedende menigte trotseert om tabak te kopen voor een soldaat, die tijdens het oproer op wacht staat

Buiksloot

Pieter Douwes Dekker introduceerde zijn jonge broer Eduard op 26 april 1836 bij de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen; afdeling Waterland. De reden voor deze introductie was de literaire belangstelling van de jonge Eduard. Het gezelschap kwam bijeen in het destijds nog buiten de stad gelegen Buiksloot, in logementen als ‘De Vergulden Wagen’ of ‘Het Beloofde Land’. De Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen was erg in trek bij doopsgezinde Amsterdammers. Pieter en Eduard namen de pont achter het Station en fietsten daarna vanaf het Tolhuis naar Buiksloot.