Amsterdamse locaties uit latere jaren

In zijn latere leven verbleef Multatuli gedurende twee periodes in Amsterdam. Van 1852 tot 1855 was hij met Tine in Amsterdam tijdens zijn verloftijd. Na voltooiing van de ‘Max Havelaar’ verbleef Multatuli van 1860 tot eind 1865, toen hij na een conflict naar Keulen vluchtte, met grote regelmaat in de hoofdstad.

Hotels in de Doelenstraat

In de Doelenstraat was een aantal vermaarde hotels gevestigd. Na aankomst in Nederland verbleven Eduard en Tine in Hotel des Pays Bas (afb.) en het Doelenhotel, omdat Douwes Dekker van mening was dat hij tijdens zijn verlof ‘op stand’ gehuisvest behoorde te zijn. Het traktement was echter onvoldoende om zulke prijzige accommodaties te bekostigen en na twee jaar zag het echtpaar zich genoodzaakt een kamer te huren in een eenvoudiger logement aan het Singel.

Logement aan het Singel

Bovengenoemd logement bevond zich op de hoek van het Singel en de Raadhuisstraat, op de plaats waar nu het gebouw van de Kas-Associatie staat. Op 1 januari 1854 werd daar Edu Douwes Dekker (1854-1930) geboren. De herberg bood onderdak aan een bont gezelschap gasten: een viertal Duitse operazangers en –zangeressen, een kanselier van het Franse consulaat, een telegrafist uit Leuven, het gezin van een Hongaarse kapitein en een magnetiseur.

Lauriergracht 37

“Ik ben makelaar in koffy en woon op de Lauriergracht nummer 37”, luidt de vermaarde eerste zin van de ‘Max Havelaar’. Multatuli koos voor de woning van Batavus Droogstoppel een huisnummer dat niet bestond. Tussen de nummers 35 en 39 liep een steegje, dat naar de ingang van een klooster leidde.

Jacob van Lennep

In het pand Keizersgracht 560 woonde de schrijver Jacob van Lennep (1802-1868). Via Jan Douwes Dekker kwam hij in het bezit van het manuscript van ‘Max Havelaar’. Van Lennep bewerkte de tekst om passages die veel stof zouden doen opwaaien af te zwakken en verving bepaalde namen door puntjes. Bovendien kocht hij voor 500 gulden het kopijrecht op het werk. Een betaalbare volkseditie hield hij tegen en dat leidde tot een conflict met de auteur en een proces. Van Lennep bezorgde ook de uitgave van de ‘Gedichten van De Schoolmeester’ (1858), het alias van zijn vriend Gerrit van der Linde en tussen 1855 en zijn dood in 1868 werkte hij aan de uitgave van een 12-delige Vondeleditie

Uitgeverij De Ruyter

Joost de Ruyter (1802-1880), de eerste uitgever van ‘Max Havelaar’ had een kleine uitgeverij annex boekhandel aan de Dam bij de Kalverstraat. Vanaf 1875 wordt dat pand aangeduid als Paleisstraat 3. De eerste uitgave van ‘Max Havelaar’ werd gedrukt bij Hendrik Munster & Zoon, gevestigd aan de noordzijde van de Warmoesgracht op nummer 7. De Ruyter gaf vooral werk uit van predikanten en leden van de kerkenraad van de Waalse kerk, verslagen van de Maatschappij tot het redden van drenkelingen en brochures, waaronder gelegenheidswerk van Jacob van Lennep. De uiterst omzichtig opererende uitgever wilde vooral zijn vingers niet branden aan politieke kwesties, maar is mogelijk door Van Lennep onder druk gezet en die was nu eenmaal een belangrijke klant. De Ruyter, door Multatuli naderhand aangeduid als ‘de slaapmuts’, zette de ‘Max Havelaar’ niet eens in zijn etalage, beducht als hij was voor controverse. De Ruyter kreeg de helft van de opbrengst van het boek; de andere helft ging naar Eduard Douwes Dekker.

Het Poolsche Koffyhuis

In 1861 verbleef Multatuli lange tijd op kamers in het Poolsche Koffyhuis. De schrijver was er slecht aan toe; hij had geen geld, voelde zich bedrogen door Van Lennep en De Ruyter en was eenzaam, want Tine woonde met de kinderen in Brussel. Tot overmaat van ramp werd hij ook nog verliefd op zijn nichtje Sietske (1842-1912), dochter van zus Kaatje en Cornelis Abrahamsz. Zij was een van de eerste vrouwelijke vereerders van Multatuli en wist bij de auteur een gevoelige snaar te raken. In het koffiehuis aan de Kalverstraat (nrs. 15-17) schreef Multatuli de ‘Minnebrieven’, een soort vervolg op de ‘Max Havelaar’ en net als zijn meesterwerk een raamvertelling. Tine en Sietske – in de gedaante van Fancy – spelen een belangrijke rol. In de tussentijd was de schuld van Douwes Dekker bij de beminnelijke herbergier van het koffiehuis, Hermanus Mijnhardt (1811-1879), opgelopen tot een bedrag van meer dan 500 gulden, het equivalent van het jaarinkomen van een onderwijzer in die jaren. Mijnhardt zou afbetaald worden met de opbrengsten van de ‘Minnebrieven’, maar die vielen tegen. Het Poolsche Koffyhuis dankt zijn naam aan een Poolse zakenman, die omstreeks 1500 op deze plaats aan de Kalverstraat woonde. De zaken gingen zo goed dat het koffiehuis vanaf 1891 werd uitgebreid tot hotel. Hotel Polen zou op 9 mei 1977 tot de grond toe afbranden. Bij die ramp verloren 33 mensen het leven.

Banketbakker Knobel

Fridolin Knobel was een Zwitserse banketbakker, die gevestigd was op de hoek van de Kalverstraat en de Heiligeweg; thans Kalverstraat 182. Van 21 januari tot 12 oktober 1862 huurde Multatuli een kamer bij de Zwitser. Op dit adres schreef hij de eerste bundel van de ‘Ideeën’, het vlugschrift ‘Over vryen arbeid in Nederlandsch Indië en de tegenwoordige koloniale agitatie’ en de ‘Japansche gesprekken’. Het vlugschrift dreef de spot met het alternatief van de liberalen voor het Cultuurstelsel in Indië. ‘Japansche gesprekken’ was een persiflage op de deugdzame samenleving naar aanleiding van het bezoek van Japanse gezanten aan Nederland.

Het Bible Hotel

Het Bible Hotel aan de Warmoesstraat (thans nr. 114) dateerde uit 1647 en gold als het oudste hotel van Amsterdam. In mei en juni 1864 had Multatuli een kamer waarover hij buitengewoon tevreden was. “Men is hier prevenant (voorkomend) voor me, en alles is goed”, schreef hij aan Mimi. Maar zo ‘prevenant’ was de hotelier toch niet, want hij zette Multatuli eind juni op straat, omdat hij geen wijn bij het eten bestelde. Voor de bouw van de Effectenbeurs viel het oude hotel in 1911 ten prooi aan de slopershamer.

De boekhandel van Rudolf Charles d’ Ablaing van Giessenburg

D’Ablaing (1826-1904) was de onechte zoon van een edelman en een dienstbode. Deze vrijdenker dreef een boekhandel aan de Kalverstraat op nummer 64 en gaf onder het pseudoniem R.C. Meijer de eerste bundel van de Ideeën uit in 1865. Multatuli verbleef in de jaren 1864-1866 met tussenpozen op de zolder van de winkel, waar ook Tine en Nonnie in 1866 onderdak vonden, toen ze door schuldeisers belaagd werden. Ook d’ Ablaing en Douwes Dekker kregen ten slotte ruzie over de betaling. Multatuli noemde zijn uitgever ‘een komiek modelletje van beroerdheid’ en d’Ablaing kwalificeerde de auteur als een ‘moderne Narcissus’, verliefd op zichzelf, zonder zijn eigen gebreken te zien.

De boekhandel van G.L. Funke

Heel anders was de verhouding met George Lodewijk Funke (1836-1885). Hij zou vanaf 1871 Multatuli’s vaste uitgever worden en met hem bevriend raken. Twee jaar na de dood van Jacob van Lennep werden in 1870 de eigendomsrechten op de ‘Max Havelaar’ geveild. Aanvankelijk kwamen die in handen van de uitgever K.H. Schadd (1841-1913), maar in 1874 wist Funke er beslag op te leggen. De nieuwe uitgever betaalde de armlastige auteur goed en dat bevorderde de goede verstandhouding. Het fonds van Funke, inclusief de ‘Max Havelaar’, kwam in 1880 in handen van de firma Elsevier.

Salon des Variétés

Op het moment dat Multatuli kennis maakte met Funke woonde hij al niet meer in Amsterdam. In januari 1866 vluchtte hij naar Keulen. Multatuli was op 1 december van het voorafgaande jaar in de Salon des Variétés in de Nes slaags geraakt met twee heren, die de zang- en dansvoorstelling van de familie Sauvlet verstoorden met spottende opmerkingen aan het adres van mevrouw Sauvlet. Douwes Dekker nam het voor de vrouw op, deelde enige rake klappen uit en voegde de heren toe: “ Wie revanche wil hebben, kome morgen bij mij.” Dit duel vond uiteindelijk niet plaats, maar wel werd er een rechtszaak aangespannen, waarbij Douwes Dekker veroordeeld werd tot vijftien dagen cellulair en twee geldboetes van 8 gulden. Door zijn vlucht wist hij de uitvoering van het vonnis te voorkomen; in 1867 zou hij gratie krijgen.

Beeld van Multatuli aan de Torensluis.

Tot het jaar 1829 werd de Torensluis over het Singel gedomineerd door de Jan Roodenpoortstoren. Hier werden in de jeugdjaren van Eduard Douwes Dekker soldaten gerekruteerd voor het Indische leger. De kelders in het bruggenhoofd van de sluis zijn thans de laatste overblijfselen van de oude verdedigingstoren. Op 16 mei 1987 onthulde koningin Beatrix op de Torensluis het grote beeld van Multatuli. Beeldhouwer Hans Bayens (1924-2003) maakte tevens het beeld van Theo Thijssen op de Lindengracht.