De schuttersstukken van de Kloveniersdoelen

Rembrandt schilderde de Nachtwacht in opdracht van het bestuur, de doelheren, van de Kloveniersdoelen. Zij bestelden omstreeks het jaar 1640 bij verschillende schilders schuttersstukken. Deze grote schilderijen moesten de nieuwe feestzaal van de Kloveniersdoelen verfraaien.

Het schuttersstuk

Het genre van het schuttersstuk bracht de leden van het schuttersgilde in beeld. Het oudst bekende voorbeeld is geschilderd door Dirck Jacobsz. (1496-1567); het middenpaneel (afb.) van dit schilderij van een ‘rot’ kloveniers dateert uit 1529; de zijpanelen zijn later - in 1552 - toegevoegd. Het portret van het vendel van Dirck Jacobsz. Rosecrans uit 1588 door de Goudse schilder Cornelis Ketel (1548-1616) toont voor het eerst een schutterscompagnie ten voeten uit, compleet met wapens en het vaandel. Een schuttersstuk werd in opdracht van een schuttersgilde gemaakt om het hoofdkwartier, de Doelen, te verfraaien. Het Kloveniersgilde van Amsterdam bleef niet achter.

De uitbreiding van de Kloveniersdoelen

De kloveniers betrokken in 1522 de toren Swijgh Utrecht, die door hen als doelen in gebruik werd genomen. Voor schuttersfeesten was het gebouw eigenlijk te beperkt van omvang. In 1638 kwam een rechthoekige aanbouw gereed met een grote zaal van 18 bij 9 meter. Deze uitbreiding bood naast de feestzaal ruimte voor een herberg, waar schutters en burgers konden eten en drinken. Het complex van de Kloveniersdoelen werd in 1637 gepacht door de voormalige houtkoper en brouwer Jacob Pietersz. Nachtglas (1577-1654). Nachtglas – hij had voordien een brouwerij ’t Nachtglas’ aan het Singel - ontving hoge gasten in de Kloveniersdoelen, zoals stadhouder Frederik Hendrik (1584-1647). De voormalige Franse vorstin Maria de Medici (1575-1642) genoot er in 1638 van het vuurwerk op de Binnen-Amstel. Na de dood van kastelein Nachtglas bezocht Tsaar Peter de Grote (1672-1725) de Kloveniersdoelen op 29 augustus 1697. Vanuit representatief oogpunt besloot men al snel na de opening de grote zaal van de Kloveniersdoelen extra luister bij te zetten met een aantal schuttersstukken.

De schuttersstukken van de feestzaal

In de feestzaal hingen zes schuttersstukken en boven de schouw bevond zich een portret van de doelheren, het bestuur van de schutterij. In de jaren 1637-1640 moeten de opdrachten gegeven zijn aan verschillende schilders om compagnieën te portretteren die de Kloveniersdoelen als hoofdkwartier hadden. Kapitein en Amsterdams regent Cornelis Bicker (1592-1654) werd samen met zijn manschappen uit Wijk XIX in 1638 vereeuwigd door de Duitse schilder, graveur en kunsthistoricus Joachim von Sandrart (1606-1688). Deze Duitser was tussen 1637 en 1642 actief in Amsterdam. In 1642 voltooide Nicolaes Eliasz. Pickenoy (1588-1653/6) zijn schuttersstuk voor de Kloveniersdoelen. Geportretteerd werden de manschappen van Wijk IV onder aanvoering van kapitein Jan Claesz. van Vlooswijck (1571-1652). Pickenoy schilderde vooral portretten en schuttersstukken. Jacob Adriaensz. Backer (1608/09-1651), eveneens een portrettist, schilderde - ook in 1642 - de compagnie van Wijk V onder aanvoering van kapitein Cornelis de Graeff (1599-1664), heer van Polsbroek en ook een bekend Amsterdams regent, diplomaat, kunstverzamelaar en mecenas. Bartholomeus van der Helst (1613-1670), een bij Amsterdamse regentenfamilies in hoog aanzien staand portretschilder, voltooide in 1643 het schuttersstuk van het vendel van Wijk VIII onder aanvoering van kapitein Roelof Bicker (1611-1656). De bekende schilder Govert Flinck (1615-1660) sloot de rij in 1645 met het portret van de compagnie van Wijk XVIII onder aanvoering van kapitein Albert Bas (afb.). Het zesde schilderij dat in de feestzaal kwam te hangen was in 1642 voltooid: Rembrandts Nachtwacht.

De Nachtwacht

Rembrandt van Rijn (1606-1669) was omstreeks 1640 een bekend schilder. Hij had zich in 1639 met zijn vrouw Saskia van Uylenburgh (1612-1642) gevestigd in een atelierwoning aan de Breestraat (thans Jodenbreestraat). Alle schilders van de schuttersstukken hadden nauw contact met de kunsthandelaar Hendrick van Uylenburgh (ca. 1587-1661), de oom van Saskia. Mogelijk is ook Rembrandt via deze kunsthandelaar benaderd door de schutters van de Kloveniersdoelen, hoewel rond 1640 de zakelijke verhouding tussen Rembrandt en Saskia’s oom was verslechterd. Rembrandt kreeg als opdracht de compagnie van kapitein Frans Banninck Cock (1605-1655) te schilderen, die de wacht hield in Wijk II, de wijk die ten noorden van de Nieuwe Kerk is gelegen tussen Damrak en Singel en zich uitstrekt tot aan de Lieve Vrouwensteeg. Rembrandts schuttersstuk werd voltooid in 1642, het jaar dat de schilder het overlijden van zijn vrouw Saskia te verwerken kreeg. Met zijn vrije interpretatie van de weergave van een schutterscompagnie hield Rembrandt zich niet helemaal aan de opdracht. Voor het verhaal dat de teleurgestelde Kloveniers het schilderij daarom maar op de zolder van hun hoofdkwartier hebben gehangen ontbreekt iedere aanwijzing. Maar het schilderij kreeg in de loop der eeuwen wel op zeer uiteenlopende locaties onderdak.