De geschiedenis van De Nachtwacht

De Nachtwacht is sinds de opening van het Rijksmuseum in 1885 het pronkstuk van de collectie. De eregalerij met topstukken van Rembrandt, Ruisdael, Steen, Hals en Vermeer mondt uit in een aparte zaal waar Rembrandts Nachtwacht als hoogtepunt van de schilderkunst van de zeventiende eeuw wordt tentoongesteld te midden van de overige schuttersstukken die ooit in de Kloveniersdoelen hingen. In het hoofdkwartier van de kloveniersschutterij begint de geschiedenis van De Nachtwacht.

De Kloveniersdoelen (1642-ca.1715)

Gerard Pietersz. Schaep (1599-1654) was historicus, genealoog en stadsbestuurder in Amsterdam. In 1653 stelde hij een met de hand geschreven lijst op van ‘publicke schilderijen’; schilderijen die in publieke ruimtes als de schuttersdoelen te zien waren. Deze lijst bevat de oudste vermelding van Rembrandts schuttersstuk, dat toen overigens nog niet ‘De Nachtwacht’ heette. Het schilderij hing toen nog in de feestzaal van de Kloveniersdoelen die 18 meter lang, 9 meter breed en 4 meter hoog was. De zaal werd niet alleen door de schutterij gebruikt; ook het stadsbestuur gebruikte er feestmaaltijden en de zaal was ook voor de gewone Amsterdammer opengesteld en werd zelfs als veilingzaal gebruikt. Het drukke gebruik van de zaal was schadelijk voor de conditie van de schilderijen; reden waarom omstreeks 1715 Rembrandts werk een nieuwe bestemming kreeg.

Het Paleis op de Dam (ca. 1715-ca. 1813)

Omstreeks 1715 werd Rembrandts schuttersportret overgebracht naar het toenmalige stadhuis, het latere Paleis op de Dam. Met zes andere schuttersstukken kwam het te hangen in de Kleine Krijgsraadkamer. In de 18de eeuw vond de Amsterdamse schutterij zelf onderdak in het stadhuis en maakte gebruik van de Grote en Kleine Krijgsraadkamers op de derde etage. Deze verhuizing pakte niet zo goed uit voor Rembrandts werk. Het zou een plaats krijgen tussen twee deuren, maar was veel te groot, waarop besloten werd een strook aan de bovenzijde, een strook aan de onderzijde en een reep van 50 cm. aan de linkerzijde te verwijderen. En die repen en stroken gingen ook nog eens verloren. Dankzij de genreschilder Gerrit Lundens (1622-1686), die werk van de grote meesters uit zijn tijd kopieerde, is overgeleverd wat er op de verwijderde repen heeft gestaan. Zijn kopie van de ‘oorspronkelijke’ Nachtwacht hangt in de National Gallery in Londen. Naast deze mutilatie in 1715 was de vernislaag van het schilderij in de loop der jaren steeds donkerder van kleur geworden, reden waarom het schuttersstuk werd beschouwd als de weergave van een nachtelijke patrouille. Vanaf eind 18de eeuw komt dan ook de naam ‘De Nachtwacht’ in gebruik. In 1808 betrok koning Lodewijk Napoleon het Paleis op de Dam en moest een deel van de schuttersstukken opnieuw verhuizen. Lodewijk Napoleon stelde twee zalen in het Paleis beschikbaar om enkele belangrijke Nederlandse schilderwerken - waaronder de Nachtwacht - ten toon te stellen.

Het Trippenhuis (ca.1813-1885)

Omstreeks 1813, na het aantreden van Koning Willem I, verhuisde De Nachtwacht naar het Trippenhuis, waar de overige schilderijen al in 1808 een onderdak hadden gekregen. Het Trippenhuis was een paleisachtig burgerhuis gebouwd in 1660 door de architect Justus Vingboons (1620-ca. 1698) voor de gebroeders Trip, handelaren in wapens en munitie in de 17de eeuw. Achter de classicistische façade werd in de 19de eeuw de nationale kunstcollectie bijeengebracht onder de naam ‘Rijksmuseum’. Het gebouw was eigenlijk veel te klein en de schilderijen hingen er dicht opeen langs de wanden. Omstreeks 1863 vatte men dan ook het plan op om een nieuw Rijksmuseum te bouwen.

Het Rijksmuseum (1885-1939)

De Limburgse architect Pierre Cuypers (1827-1921) ontwierp zowel het Amsterdamse Centraal Station als het Rijksmuseum. Cuypers bouwde en restaureerde vele – katholieke - kerken in Nederland. Zijn bouwstijl was de neogotiek met elementen uit het maniërisme en werd door tegenstanders als te ‘rooms’ ervaren. Koning Willem III wilde bijvoorbeeld de opening van het Rijksmuseum - ‘ce monastère’ (dat klooster) - niet bijwonen. Vanaf 1885 vond De Nachtwacht onderdak in de Eregalerij. Aanvankelijk werd het schilderij van boven belicht, hetgeen niet bij iedereen in de smaak viel. De belichting van De Nachtwacht werd omstreeks de eeuwwisseling zelfs op de agenda van de Tweede Kamer gezet en een commissie van een twintigtal kunstenaars kwam tot de conclusie dat belichting van opzij het kunstwerk beter tot zijn recht zou doen komen. In 1906 werd de Rembrandtzaal aangepast om deze belichting te verwezenlijken. De nationale gemoederen kwamen weer tot bedaren, maar dat duurde niet lang. Op 13 januari 1911 bewerkte een werkloze scheepskok De Nachtwacht met een schoenmakersmes, waarbij hij gelukkig slechts de vernislaag beschadigde.

Evacuatie (1939-1945)

Na de Machtsübernahme in Duitsland in 1933 van Adolf Hitler nam de dreiging van een nieuwe Wereldoorlog toe. De directie stelde een scenario op om de onvervangbare kunstwerken van het museum snel te kunnen evacueren. Speciaal voor De Nachtwacht werd in 1934 een sleuf gemaakt om het schilderij snel te kunnen laten wegzakken en in veiligheid te brengen. In 1939 was het zo ver, toen De Nachtwacht werd ondergebracht in Kasteel Medemblik. In mei 1940 werd besloten om het op te bergen in een bunker in de duinen bij Castricum (afb.), waarbij het doek werd opgerold. In 1941 verhuisde het werk naar een bunker in Heemskerk en op 24 maart dat jaar verhuisde het met tal van andere kostbare schilderijen uiteindelijk naar de Sint-Pietersberg bij Maastricht. Vlak na de bevrijding van Maastricht in september 1944 troffen de geallieerden de kostbaarheden in een grot in de berg aan. Op 25 juni 1945 keerde De Nachtwacht terug naar Amsterdam.

Rijksmuseum (1945-heden)

Op 14 september 1975 werd De Nachtwacht opnieuw beschadigd, toen een gestoorde man op het doek afrende en dit met een gekarteld tafelmes beschadigde. Enkele van de twaalf sneden gingen door het canvas heen. Reeds de volgende dag begon men met de restauratie. Men maakte van de gelegenheid gebruik om het hele schilderij te restaureren en een vernislaag uit 1947 te verwijderen. In mei 1976 was De Nachtwacht – lichter van toon – weer voor het publiek te zien. Het zou niet de laatste aanslag zijn op De Nachtwacht, want op 6 april 1990 spoot een 31-jarige man met een spuitbus zwavelzuur op het doek. Het leidde slechts tot een beschadiging van de vernislaag. Van 2003 tot 2013 werd de Eregalerij verbouwd en kreeg het schilderij een tijdelijke plaats in de Philipsvleugel. In 2006 verrees een bronzen beeldengroep naar het schilderij op het Rembrandtplein. Sinds juli 2019 wordt het schilderij opnieuw gerestaureerd in het kader van Operatie Nachtwacht, waarbij het publiek de restauratiewerkzaamheden kan volgen via een glazen wand en via live-updates op het internet.