De Amsterdamse schutterij

De Nachtwacht toont een 17de eeuwse compagnie Amsterdamse schutters. Deze gewapende burgers moesten de stad beschermen tegen bedreigingen van buiten. Schutters waren verplicht hun eigen wapens te bekostigen en daarom werden de schutterijen vooral door rijke en aanzienlijke burgers bevolkt. De oorsprong van deze schutterijen lag in de Middeleeuwen.

Schuttersgilden

In de Middeleeuwen hadden de verschillende beroepsgroepen zich georganiseerd in gilden, strak georganiseerde belangenorganisaties. Ook de schuttersgilden stammen uit die tijd. De oudste vermelding van Amsterdamse schutters dateert van 1382. Aanvankelijk was deze schutterij beperkt van omvang, circa 75 man, maar vooral in de 16de eeuw nam het belang van de schutterij en daarmee het aantal schutters toe. In de Tachtigjarige Oorlog werd bij een belegering de schutterij vaak ingezet om de stad te verdedigen. Tijdens de Beeldenstorm nam in Amsterdam zelf de onrust toe. Er ontstond in het katholieke stadsbestuur onenigheid over de leiding van de schutterij. Deze werd ontbonden. Bij de Alteratie in 1578 kreeg Amsterdam een calvinistisch bestuur en werd de schutterij heropgericht en omgevormd tot een op militaire leest geschoeide burgerwacht.

Wijken en vendels

Amsterdam werd verdeeld in 20 verschillende wijken met elk een compagnie of vendel, geleid door een kapitein en bijgestaan door een luitenant. Elke compagnie bestond uit vier korporaalschappen met een sergeant aan het hoofd. Die gaven op hun beurt weer leiding aan tien rotten van elk tien man. Een vendel bestond dus uit zo’n 400 schutters. Vanaf de Alteratie kreeg de schutterij daarmee een militair, hiërarchisch karakter. In de tijd van Rembrandt wisten de Amsterdamse regenten steeds meer invloed op de benoeming van de officieren te verkrijgen. Dat kon leiden tot groteske benoemingen als die van de tweejarige Dirck Munter tot vaandrig van een compagnie, met als enige reden dat hij het zoontje was van een van de burgemeesters uit die tijd. Op zesjarige leeftijd schopte Dirk het zelfs tot luitenant.

De Doelen

De schutterij bestond van oudsher uit drie onderdelen: de handboogschutters, de voetboogschutters en de kloveniers. Elk van deze groepen had een eigen oefenterrein, waar men op doelen schoot en dat daarom ‘Doelen’ werd genoemd. De later bij deze oefenterreinen gebouwde hoofdkwartieren namen deze benaming over. Deze hoofdkwartieren bevatten een grote zaal voor vergaderingen en feesten en een herberg. De Handboogdoelen of Sint-Sebastiaansdoelen was een gebouw uit de 16de eeuw dat gelegen was aan het Singel, op de plaats van de huidige universiteitsbibliotheek; het pand was plaats van samenkomst voor de handboogschutters. De voetboog- of kruisboogschutters hadden zware bogen, die bij het spannen op de grond gezet werden en met een voet klem gezet werden. Hun Voetboogdoelen of Sint-Jorisdoelen lag eveneens aan het Singel en werd van de Handboogdoelen gescheiden door het Stads-Bushuis, het geschutsmagazijn, uit 1606. Dat pand (Singel 423) is ook opgenomen in de huidige Universiteitsbibliotheek.

Kloveniers

Swygh Utrecht was een oude toren, die ooit deel uitmaakte van de in 1601 gesloopte stadsmuur van Amsterdam. In 1882 werd hij afgebroken, maar in de 17de eeuw vormde Swygh Utrecht de kern van de Kloveniersdoelen. Thans staat op de plaats van het hoofdkwartier van de kloveniersschutterij het Doelen hotel. De schutters op De Nachtwacht van Rembrandt behoorden tot deze kloveniers. De benaming ‘klovenier’ is afgeleid van het Franse musketgeweer, de couleuvrine, die in de Honderdjarige Oorlog werd gebruikt. In het Nederlands werden de termen ‘klover’ of ‘veldslang’ gehanteerd. De veldslang is de voorloper van het musket, een zwaar handwapen met gladde loop. De musket werd via de loop geladen en het kruit werd vervolgens met een laadstok aangedrukt. Bij het vuren moest de musket ondersteund worden door een gaffel, furket genaamd. Het gilde van de kloveniers vindt zijn oorsprong in de tijd van Karel V, begin 16de eeuw.

Nachtwacht

Een van de belangrijkste taken van de schutterij was de nachtwacht, het bewaken van de belangrijkste poorten van de stad geurende de nacht. In Amsterdam waren dat de Haarlemmerpoort, de Anthonispoort en de Regulierspoort. Daarnaast waren er wachtdiensten bij de driehoofdwachten (het Stadhuis, de Oude Regulierspoort - de Munttoren is daar een overblijfsel van - en de Waag) en bij enkele bijwachten (de Admiraliteitsloods, het West-Indisch Huis). De schutters, die dienst hadden bij de Hoofdwacht, verzamelden de sleutels van de poorten en van de ‘bomen’. ‘Bomen’ waren dubbele rijen palen in de waterwegen met een toegang voor schepen die ’s avonds werden afgesloten met een grote balk of een ketting. De schutters verzamelden zich om 9 uur ’s avonds bij het Stadhuis en kregen daar hun wachtposten toegewezen. Een schutter was verplicht om met de andere schutters uit zijn ‘rot’ tweemaal per maand de nachtwake te doen. Er waren speciale almanakken in omloop waarin schutters de data van hun nachtwacht konden opzoeken.