Wat zien we op De Nachtwacht?

De Nachtwacht vertoont grote verschillen met de andere schuttersstukken in de feestzaal van de Kloveniersdoelen. In het gebruik van licht en donker, de soms vreemde bewapening, helmen en kledingstukken, maar vooral in de compositie wijkt Rembrandts werk af van dat van zijn collega’s. Het schilderij stelt de kijker voor tal van raadsels: waar kijken we nu eigenlijk naar?

Compagnie in beweging

Op andere schuttersstukken staan de manschappen in de regel in een rij naast elkaar opgesteld. De Nachtwacht breekt met die statische opstelling; Rembrandt heeft dynamiek gebracht in zijn schuttersstuk. We zijn eigenlijk getuige van het moment dat het vendel zich in beweging zet. Banninck Cocq met zijn vrije hand en vooral sergeant Kemp (afb.) met zijn uitgestrekte arm geven het sein in actie te komen. Een deel van de groep staat nog op de trappen naar het poortachtige gebouw. Aanwijzingen voor een verhoging is het feit dat sommige figuren duidelijk boven de anderen uitsteken. En tussen de benen van de musketier met de paarse broek zijn de contouren van een trede van de trap zichtbaar. Een belangrijke vraag is dan ook welk poortgebouw zien we op de achtergrond?

De Blijde Inkomst

Maria de Medici (1575-1642), de koningin-moeder en voormalige vorstin van Frankrijk bracht in 1638 een bezoek aan de Republiek. Na bezoeken aan Luik, ’s Hertogenbosch en ’s-Gravenhage arriveerde zij op 1 september 1638 in Amsterdam voor een vijfdaags bezoek. Bij de Haarlemmer poort werd zij ontvangen door de vroedschap en de compagnie van Wijk II. Het poortgebouw zou dus de Haarlemmerpoort kunnen aanduiden of mogelijk ook de verplaatsbare triomfboog, die tijdens de Blijde Inkomst van de vorstin werd opgesteld op de Dam en later op de Varkenssluis en bij het Rokin. Wat tegen deze interpretatie pleit is dat Banninck Cocq en Van Ruytenburgh pas in 1639 officieren werden bij de schutters van Wijk II. Rembrandt had eigenlijk Pieter Reael en Gerbrand Pancras moeten afbeelden, die op dat moment het commando voerden over het vendel

Toneeldecor

Het poortgebouw zou ook een toneeldecor kunnen zijn. In 1637 was aan de Keizersgracht – ter hoogte van het huidige nummer 384 - de eerste echte stadsschouwburg geopend van Amsterdam, ontworpen door Jacob van Campen (1596-1657). Het gebouw verving een houten toneelzaal. De schouwburg beschikte over de nieuwste toneelmachinerieën waarmee de perspectivische decors snel verwisseld konden worden. Het toneeldecor van de stadspoort zou dan zinnebeeldig opgevat kunnen worden als de stad Amsterdam, die beschermd wordt door de schutterij. De anachronistische wapens en kledingstukken zouden ook kunnen wijzen op toneelrollen. Daar staat tegenover dat Banninck Cocq, Van Ruytenburgh en hun metgezellen militairen waren en moeilijk als spelers in een toneelrol kunnen worden gezien.

Is het eigenlijk wel nacht?

De eerste aanduiding van Rembrandts werk als ‘De Nachtwacht’ dateert uit 1797 en dat is maar liefst 155 jaar na voltooiing van het werk; jaren waarin het werk in een feestzaal heeft gehangen en waarin zich vuil heeft opgehoopt en de vernislaag steeds verder is verkleurd onder invloed van flakkerende kaarsen en knappend haardvuur. Het op zich al donkere schilderij werd daardoor nog duisterder. Een andere reden destijds om een nachtelijke scène te veronderstellen lag in het gegeven dat de schutterij eind achttiende eeuw nog slechts één taak had: de nachtelijk patrouille. Na meerdere restauraties en met name na verwijdering van de vernislaag bleek dat de oorspronkelijke schildering aanmerkelijk lichter was. Tegenwoordig zijn veel kunsthistorici van opvatting dat de uitgebeelde scène overdag plaats heeft en niet ’s nachts.

De Wapenhandelinghe

Jacob de Gheyn II (1565-1629) was een Zuid-Nederlandse tekenaar die zijn opleiding kreeg van zijn gelijknamige vader Jacob de Gheyn I (ca. 1532-1582) en de bekende Haarlemse tekenaar Hendrick Goltzius (1558-1617). In 1607 bracht hij een geïllustreerde handleiding op de markt voor het Staatse Leger: ‘De Wapenhandelinghe’. Het bedienen van verschillende wapens werd aan de hand van tekeningen duidelijk gemaakt. Zo legt Jacob uit hoe je een musket moet laden, er een schot mee kunt lossen en daarna het kruit uit de pan moet blazen. Rembrandt had dit boek in zijn bezit. Drie musketiers in de directe omgeving van Banninck Cocq en Van Ruytenburgh geven dezelfde visuele instructie als in de ‘Wapenhandelinghe’. Van Heede laadt het musket, de anonieme musketier in de paarse broek achter de kapitein lost een schot, waarvan een kruitwolkje nog net zichtbaar is boven de veren van de hoed van Van Ruytenburgh, en musketier Leijdeckers blaast het kruit weg.

Zinnebeeldige elementen

Rembrandts Nachtwacht is al met al een eigenzinnige interpretatie van een schuttersstuk. Met de schildering van belangrijke leden van het vendel van Wijk II heeft hij zeker voldaan aan zijn opdracht om een schuttersstuk voor de Kloveniersdoelen te maken. Maar opvallend zijn de vele zinnebeeldige elementen in het schilderij: de kleuren van de stad Amsterdam en de kleuren van de kloveniers, die terugkeren in de kleding en de degenkwast. De klauwen van de kip om het middel van de zoetelaarster verwijzen naar het embleem van de schutterij. De drie musketiers verwijzen in hun handelingen naar het instructieboek voor het Staatse Leger. De Nachtwacht is daarmee zelf een verwijzing naar de waakzaamheid van de Amsterdamse Kloveniers geworden. Dit wordt nog geaccentueerd door Kapitein Banninck Cocq. Hij heeft een van zijn handschoenen uitgetrokken en houdt duim en wijsvinger van zijn vrijgekomen hand gebogen. De schaduw van zijn vingers valt op de gele kolder van zijn luitenant en omvat als een beschermende ring precies het op dat kledingstuk geborduurde wapen van Amsterdam.