Onzekere jaren; 1899-1904

Tot twee maal toe – in 1898 en 1901 – dong Piet Mondriaan mee naar de Prix de Rome, maar beide keren wees de jury hem af. In het juryrapport werd hem zelfs gebrek aan tekentalent verweten. In deze onzekere jaren kreeg Mondriaan te maken met tegenslagen en zelfs een persoonlijke crisis. Hij nam in de loop der jaren steeds meer afstand van zijn gereformeerde milieu. In Amsterdam raakte hij bevriend met mensen die soms heel andere overtuigingen hadden.

Belangrijke vriendschappen

Omstreeks 1900 leerde Mondriaan Albert van den Briel kennen tijdens een bezoek aan de Stadsschouwburg in Amsterdam. Van den Briel (1881-1971) was de zoon van een linnenfabrikant uit Brabant en studeerde aanvankelijk medicijnen en biologie in Utrecht. Hij werkte daarna als houtvester in Brabant en studeerde bosbouw in Wageningen. Simon Maris (foto) (1873-1935) was schilder en zoon van Willem Maris en neef van Jacob en Matthijs Maris; allen schilders uit de Haagse School. Mondriaan sloot rond de eeuwwisseling vriendschap met Simon en met de schilder Arnold Gorter (1866-1933) en via hen raakte hij verzeild in kunstenaarskringen.

De Amsterdamse bohème

Simon en Piet waren beiden lid van de kunstenaarsvereniging Sint Lucas, opgericht in 1880 door leerlingen van de Rijksacademie. De vereniging, die in die jaren aan het Rembrandtplein was gevestigd, bestaat nog altijd. Simon Maris had een atelier op de hoek van het Spui en de Kalverstraat, boven Focke & Meltzer. Op zaterdag kwamen daar kunstenaars, schrijvers en dichters bijeen. Mondriaan was in de jaren 1902 en 1903 ook vaak te vinden in de Tolstraat, destijds gelegen aan de rand van de stad. Hier stond de zeshoekige onderbouw van molen ‘De Duif’ te midden van een paar huisjes, schuurtjes en woonwagens van zigeuners en ketellappers. In de ‘molen zonder wieken’ kwam de Amsterdamse bohème samen: schrijver Arthur van Schendel (1874-1946), literator uit de beweging van ‘Tachtig’ Hein Boeken (1861-1933), Lizzy Ansingh (1875-1959), schilderes en een van de ‘Amsterdamse Joffers’, dichter Jopie Bremer (1875-1957) en kunsthandelaar Joop Siedenburg (1875-1961).

Kunstwerken

Vanuit de Tolstraat werden vaak tochtjes ondernomen langs de Amstel en het Gein. Hier schilderde Mondriaan landschappen, vaak nog in de Nederlandse landschapstraditie, zoals ‘Slootje bij Boerderij Landzicht’ (1900) en ‘Knotwilgen’ (1902-1904). Mondriaan week sporadisch af van deze traditie en produceerde af en toe werk dat impressionistische invloeden verraadt, zoals ‘Bleekerij aan het Gein’ (1900-1902), ‘Gezicht op Boerderij Landzicht’ (1905), ‘Weide met koeien’ (1902-1905) en het aan de vroege Van Gogh herinnerende ‘Boomgaard met kippen’ (1901). Werk in opdracht werd wel weer in traditionele stijl gemaakt, zoals het portret van de Sint Bernard ‘Isar Harlemia’ (1905).

De Spoorwegstaking van 1903

Behalve met de Amsterdamse bohème, raakte Mondriaan in 1902 en 1903 ook kortstondig in contact met anarchistische kringen. Mondriaan had idealistische opvattingen over de samenleving en trok zich het lot aan van mensen die in de armoedige buurten van Amsterdam leefden. In 1903 kreeg Nederland te maken met een omvangrijke stakingsgolf bij het spoor. Inzet was het recht van het spoorwegpersoneel om zich via een vakbond te organiseren en het recht om een staking uit te roepen. In deze periode had Mondriaan een atelier in de Pijp aan de Albert Cuypstraat, op nummer 158 III. Een voormalig klasgenoot Paul Goudman dook in dat atelier onder. Goudman was dienstplichtig soldaat en weigerde te schieten op stakers. Daarnaast zou Mondriaan betrokken zijn geweest bij een anarchistisch complot, maar de bijzonderheden over deze activiteit zijn niet meer te achterhalen. Uiteindelijk ontvluchtte Mondriaan het onrustige Amsterdam, nadat zijn atelier was doorzocht. Hij zou zich de rest van zijn leven niet meer met politieke activiteiten inlaten.

Persoonlijke crisis

Piet Mondriaan week uit naar Brabant, waar hij werd opgevangen door zijn vriend Albert van den Briel. Laatstgenoemde heeft een deel van hun correspondentie vernietigd, omdat deze te persoonlijk was en Mondriaan heeft zelf geen brieven bewaard. Daardoor is weinig bekend over de oorzaak van de persoonlijke crisis die Mondriaan doormaakte. De gebeurtenissen in Amsterdam zouden een belangrijke rol hebben gespeeld: het anarchistisch complot, anarchisten die Mondriaan belasterden, een zelfmoord in de molen zonder wieken; een goed beeld valt niet te reconstrueren. In elk geval deed Mondriaan op 6 mei 1903 afstand van zijn atelier in de Albert Cuypstraat.

Uden

Met Albert maakte Piet trektochten door het Brabantse land in de omgeving van Veghel, Nistelrode en Heeswijk Dinther. Langzaam kwam hij weer tot zich zelf. Het contact met de Brabantse bevolking had een rustgevende uitwerking. Hij raakte in contact met Johannes Graadt van Roggen (1867-1959), een schilder die veel en plein air schilderde en met de landschapsschilder Chr. Hammes (1872-1965). Eind 1903 verbleef hij in Nistelrode en in januari 1904 nam hij intrek bij veehandelaar Louis van Zwanenbergh in Uden. Hij liet zich zelfs inschrijven in het Udens bevolkingsregister, omdat hij volledig tot rust wilde komen en niet naar Amsterdam wilde terugkeren. Hij begon ook weer te schilderen. Uit deze periode stammen onder meer de ‘Molen van Jetten’ in Uden, de ‘Molen van Heeswijk’ en de ‘Boerderij in Brabant’. Ook verdiepte hij zich in Brabant in de relatie tussen wiskunde en de natuur en met name in de in schilderkunst en architectuur veel toegepaste ‘gulden snede’, de wiskundige verhouding van bepaalde lijnstukken en rechthoeken, die schilders gebruiken voor de compositie van hun schilderijen. Mondriaan verbleef een jaar in Brabant en keerde op 27 januari 1905 terug naar Amsterdam. Het leven in de hoofdstad had toch een grotere aantrekkingskracht op hem.