Jaren van de doorbraak (1908-1911)

In januari 1908 betrok Mondriaan een nieuwe atelierwoning, Sarphatipark 42-I. Hij zou er blijven tot zijn vertrek naar Parijs eind 1911. De woon- en werkruimte was sober ingericht en werd in de loop der jaren zwart-wit geschilderd; de lambrisering zwart, de muren wit. In deze jaren brak Mondriaan door als vernieuwend kunstenaar. Zijn werk werd minder figuratief. Mondriaan werkte in verschillende stijlen: het luminisme, het symbolisme en omstreeks 1910 raakte hij ook geïnteresseerd in het kubisme.

Theosofie

Op 14 mei 1909 werd Mondriaan lid van de Theosofische Vereeniging. Zijn belangstelling voor de theosofie was in de voorafgaande jaren gegroeid. Hij voerde al in 1899 gesprekken over spiritualiteit met Lambertus Edema van der Tuuk, de theosofische beeldhouwer die zijn ontwerp voor de panelen voor de preekstoel van de Engelse Kerk op het Begijnhof had uitgevoerd. Mondriaan sloot omstreeks 1908 vriendschap met de schilders Jan Toorop (1858-1928) en Kees Spoor (1867-1928), beiden theosoof. De theosofie had invloed op zijn schilderkunst en de manier waarop Mondriaan de natuur beschouwde. Hij kwam tot het inzicht dat de kunst een transformatie tot stand moest brengen van de stoffelijke wereld naar de daarachter liggende geestelijke wereld. Belangrijke werken van Mondriaan die door theosofie en symbolisme zijn beïnvloed zijn: ‘Passiebloem’ (al vòòr 1908; de afgebeelde vrouw zou pianiste Mien Philippona zijn), ‘Devotie’ (1908) en vooral het drieluik ‘Evolutie’ uit 1911.

Domburg

De symbolistische schilder Jan Toorop nodigde Mondriaan in 1908 uit de zomermaanden door te brengen in het Zeeuwse Domburg. Via deze kunstbroeder, die daar een houten paviljoentje had (het ‘kotje van Toorop’), kwam Mondriaan in contact met enkele in Domburg verblijvende dames: schilderes Jacoba van Heemskerck (1876-1923) en haar levenspartner Marie Tak van Poortvliet(1871-1936) en schilderes Mies Elout-Drabbe (1875-1956). Het gezelschap, aangevuld met Kees Spoor en Toorop sprak over theosofische onderwerpen, antroposofie, oosterse mystiek, de kleurenleer van Goethe, het symbolisme en het spirituele in de kunst. Mondriaan deed heilgymnastiek op het strand. Hij zou de zomers van 1908, 1909 en 1910 in Domburg doorbrengen. Hij schilderde er duinlandschappen als: ‘Zomer; duin in Zeeland’ (1910) en de stokoude appelboom in de tuin van de villa van Jacoba van Heemskerck: ‘Avond; de rode boom’ (1908).

Vriendinnen

In 1908 bezocht Mondriaan Domburg in gezelschap van Agaath Zethraeus; in latere jaren kwam hij er met een nieuwe vriendin, de violiste Aletta de Iongh. Enkele van zijn brieven aan haar zijn bewaard gebleven. Een stormachtige relatie had Piet met de 21-jarige Eva de Beneditty (1888-1970). “..m’n vrijheid, m’n blijheid, m’n jeugd, m’n luxe, o ik voelde me in staat alles voor hem prijs te geven!” , bekende Eva in haar dagboek. De 16 jaar oudere Mondriaan had verschillende geheime ontmoetingen met haar. In 1911 was Mondriaan verloofd met Greta Heybroek, de dochter van een koopman, die een villa bezat in Laren. De verloving werd verbroken toen Mondriaan naar Parijs vertrok.

Kunstwerken

‘Molen bij zonlicht’ uit 1908 is een voorbeeld van het luminisme, een stroming die vooral het effect van licht weer trachtte te geven in fel gekleurde vlakken en streepjes. Behalve Mondriaan en Toorop schilderden ook Jan Sluijters (1881-1957) en Leo Gestel (1881-1941) in deze stijl. Met dit schilderij brak Mondriaan definitief door naar de avantgarde. De felle rode, gele en blauwe verf waarin de wipmolen van Abcoude is geschilderd, geven de compositie een stralend effect; bijna alsof de toeschouwer tegen de zon in kijkt. De reacties in de pers (“een met bloed bedropen molen”, schreef een recensent in de Nieuwe Courant) waren overwegend negatief; men vond het een agressief doek. ‘Bos bij Oele’ (1908) wordt wel vergeleken met de stijl van Edvard Munch (1863-1944); hoewel het werk van de Noor in die dagen in Nederland nog onbekend was. Ook maakte Mondriaan een aantal schilderijen van bloemen; o.a. ‘Amaryllis’ (1910). ‘De rode molen’ (1911) schilderde Mondriaan na een bezoek aan Parijs, waar hij kennis maakte met het werk van de kubisten.

De tentoonstelling in het Stedelijk Museum

Vanaf 3 januari 1909 exposeerden Piet Mondriaan, Jan Sluijters en Kees Spoor in de bovenzalen van het Stedelijk Museum. Mondriaan had zijn werk over drie zalen verdeeld. Een zaal met landschapsstudies, een zaal met avondlandschappen en een zaal met ‘cyclische’ werken (‘Molen bij zonlicht’, ‘De rode wolk’, ‘Devotie’). De presentatie was niet chronologisch, maar meer vanuit de ontwikkeling van de kunstenaar bezien. De tentoonstelling trok 3.000 mensen. Onder de bezoekers was de schrijver Frederik van Eeden die in februari 1909 een vernietigende recensie schreef in ‘Op de Hoogte’. Hij vond vooral het werk van Mondriaan een geval van “acute décadence”. Zijn collega Israel Querido nam het op voor de drie exposanten: Van Eeden verkocht “roekeloze kletspraat”.

Parijs

In 1910 stuurt Mondriaan werk op naar Parijs; hiervan werd één doek tentoongesteld in de Salon des Indépendants. Mondriaan werd een kunstenaar om rekening mee te houden. Hij zegde zijn lidmaatschap op van Arti et Amicitiae en ook dat van Sint Lucas. Toorop, Sluijters en Mondriaan richtten met kunstcriticus en kunstschilder Conrad Kickert (1882-1965) in 1910 de Moderne Kunstkring op. In het Stedelijk organiseerden zij een tentoonstelling van het werk van Pablo Picasso (1881-1973), Paul Cézanne (1839-1906) en Georges Braque (1882-1963). In dat jaar bezocht Mondriaan ook voor het eerst Parijs. In het kubisme zag Mondriaan een manier om de grootsheid van de natuur weer te geven door alle toevallige elementen te elimineren.
Mondriaan zegt uiteindelijk de huur van zijn atelier aan het Sarphatipark op, verbreekt zijn verloving met Greta, brengt zijn schilderijen onder, laat zich op 20 december 1911 uitschrijven uit de gemeente Amsterdam en vertrekt naar de Franse hoofdstad.