De latere jaren (1911-1944)

Piet Mondriaan zou Amsterdam eind 1911 voorgoed verlaten en na zijn verblijf in Laren tijdens de Eerste Wereldoorlog zou hij zelfs Nederland definitief de rug toekeren. In Parijs vestigde hij zich aan de Rue du Départ 26. Hij exposeerde in Berlijn in de Herbstsalon en in Parijs in de Salon des Indépendants. Internationaal vestigde hij zijn naam; vooral in de jaren na de Eerste Wereldoorlog.

Kubisme

In de periode tot aan de Eerste Wereldoorlog stond het werk van Mondriaan onder invloed van het kubisme. In 1912 combineerde hij de weergave van de natuur met een spel van lijnen. De ‘Bloeiende appelboom’ is daar een voorbeeld van. De wirwar van gebouwen in de metropool Parijs, de affiches op brandmuren en resten gekleurd behang in oude Parijse appartementen inspireerden Mondriaan tot kubistische composities; in deze jaren ook vaak in een ovale vorm. Voorbeelden zijn ‘Tableau III’ (1914) en ‘Compositie IV/compositie 6’ (1914). In de zomer van 1914 keerde Mondriaan terug naar Nederland. Zijn vader was ernstig ziek.

De Stijl

Pas in 1919 zou Mondriaan naar Parijs terugkeren. In 1915 vestigde hij zich in Laren. Hij maakte er kennis met de joodse makelaar Salomon Slijper (1884-1971). Deze zou de grootste verzameling aanleggen van werk van Mondriaan en die na zijn dood nalaten aan het Gemeentemuseum in Den Haag. Mondriaan had ook nauwe contacten met de theosoof en filosoof Mathieu Schoenmaekers (1875-1944), die zijn ideeën over kunst zou beïnvloeden. De kunstenaar, dichter, schrijver en typograaf Theo van Doesburg (1883-1931) richtte in 1917 het tijdschrift De Stijl op. De gelijknamige kunstenaarsgroep rond dit tijdschrift zou een belangrijke bijdrage leveren aan de internationale avantgardistische kunst. Mondriaan trad toe tot de groep, evenals schilder en vormgever Bart van der Leck (1876-1958). Laatstgenoemde werkte met geometrische vormen en met de primaire kleuren rood, geel en blauw; aangevuld met wit, grijs en zwart. Van der Leck’s werk was echter niet abstract; in die zin dat hij nog van onderwerpen uit de realiteit uitging. De bijdrage van Mondriaan aan De Stijl lag vooral op het theoretische vlak. Theo van Doesburg was vooral de intellectuele voorman van De Stijl en in de loop van de tijd ook de tegenpool van Mondriaan; in 1925 verbrak Piet de banden met De Stijl, omdat Van Doesburg te zeer van de beginselen van de groep afweek. Belangrijke werken van Mondriaan uit deze periode zijn: ‘Compositie’ (1916), ‘Compositie in kleur B’ (1917) en ‘Compositie in ruit; nr. 5’ (1919)

De Nieuwe Beelding

Mondriaan zette zijn theoretische ideeën uiteen in het blad ‘De Stijl’ en in een in 1920 verschenen brochure ‘Le Neoplasticisme’. De beginselen van de Nieuwe Beelding komen erop neer dat de kunst de mensheid de weg naar de toekomst moet wijzen. De Eerste Wereldoorlog heeft alles overhoop gegooid. De nieuwe kunst moet breken met het individuele en het toevallige in de kunst. Absolute en universele harmonie kan niet verkregen worden door het abstraheren van een toevallig object uit de werkelijkheid, maar moet bereikt worden met algemeen geldige en objectieve middelen. In de jaren die volgden zou Mondriaan streven naar een steeds universelere en abstractere kunst. Elke compositie zou het uitgangspunt vormen voor een volgende.

Neoplastische werken

In de jaren twintig en dertig ontstonden Mondriaans neoplastische werken, waarbij elke voorstelling werd uitgebannen en Mondriaan werkte met rechte lijnen, rechte hoeken, zwarte lijnen, witte vlakken en primaire kleuren. Dat resulteerde in onder meer: ‘Compositie met rood, blauw, zwart, geel en grijs’ (1921), ‘Compositie met rood, geel en blauw’ (1927) en ‘Compositie IV, met rood, blauw en geel’ (1929). Soms bracht hij de compositie terug tot maar een tweetal lijnen of enkele lijnstukken, zoals ‘Ruitvormige compositie met twee zwarte lijnen’ (1931) en ‘Compositie met gele lijnen’ (1933). Opvallend is ook de middelpuntvliedende opzet van veel werken. Lijnen, vlakken en kleuren zijn naar de randen gedrongen en het centrum van het doek liet Mondriaan leeg. Zie bijvoorbeeld: ‘Compositie in blauw, geel zwart en rood’ (1922). Mondriaan vermeed het gebruik van middellijnen en kruisende lijnen in het midden van het doek. Na 1932 werkte Mondriaan vaak met dubbele lijnen, zoals in: ‘Compositie met dubbele lijn en blauw’ (1935) en ‘Compositie met blauw’ (1937).

New York

In 1938 noopte de voortdurende oorlogsdreiging Mondriaan te verhuizen naar Londen. Hij vestigde zich in Hampstead. Met hulp van de Amerikaanse kunstenaar Harry Holtzman (1912-1987) wist Mondriaan tijdens de ‘blitz’, de Duitse bombardementen op Londen, naar New York uit te wijken. Hij werd er door vrienden en bewonderaars opgewacht. Mondriaan had eerst een atelier op de hoek van East 52nd Street en First Avenue; naderhand werkt hij op 59th Street. In New York ontstonden in 1942-1944 werken als ‘Broadway Boogie Woogie’ en ‘Victory Boogie Woogie’. De rusteloze metropool New York inspireerde Mondriaan tot deze dynamische werken met banen van kleurige vlakjes in een bonte opeenvolging. ‘Victory Boogie Woogie’ zou Mondriaan niet meer helemaal voltooien. In januari 1944 troffen vrienden de schilder aan in zijn atelier met een zware longaandoening, waaraan hij op 1 februari van dat jaar zou overlijden. Holtzman trad op als executeur-testamentair van Mondriaans nalatenschap in New York.