Buurtkroegen elders in het centrum

“Aan de toog van het morsige buurtcafé kwam die avond ook een kennis van heel vroeger zitten, die De Dikke Man recht hartelijk groette en vervolgens een kopstoot bestelde. ‘Ik ben maar even het huis ontvlucht’ sprak Die Oude Kennis. En hij dronk gretig van zijn bier. En vervolgens nipte hij aan de jenever. ‘Trouble’ begreep De Dikke Man, ietwat overbodig. ‘Och’ reageerde De Oude Kennis, schouder-ophaalderig. En er viel een alcoholische stilte” (Ischa Meijer). Ook aan de rand van de Jordaan en in de rest van het Centrum zijn enkele bijzondere buurtkroegen te vinden.

’t Papeneiland

Café ’t Papeneiland werd wereldnieuws toen Bill Clinton bij zijn bezoek aan Amsterdam de zelfgebakken appeltaart kwam proeven. ’t Papeneiland staat op een perceel op de hoek van Prinsengracht en Brouwersgracht dat tot 1641 onbebouwd was. Het huidige pand dateert dus uit 1642. Aan het begin van de Prinsengracht bevond zich in de 17de eeuw op nummer 7 een katholieke schuilkerk en deze was via een tunnel verbonden met het pand op de hoek. De ingang van de tunnel bevindt zich nog altijd in de kelder van Café ’t Papeneiland. In 1896 werd het onderste deel van Prinsengracht 2 verhuurd aan biertapster Witmond, die er café De Blauwe Druif begon. In 1918 werd Vereniging Hendrik de Keyser eigenaar van het gebouw. Het werd in de twintigste eeuw gerestaureerd en het café ging de naam ‘’t Papeneiland’ voeren naar de vroegere benaming van de katholieke enclave aan het begin van de Prinsengracht. Na de restauratie van het pand werd het café achtereenvolgens geëxploiteerd door M. Oud (‘Tante Marie’), Tiel Netel sr. en Tiel Netel jr.

’t Smalle

Op de huidige locatie van café ’t Smalle aan de Egelantiersgracht opende Pieter Hoppe in 1780 een jenever- en likeurstokerij, die naderhand naar Schiedam werd overgeplaatst. Het gebouw van de stokerij werd gesloopt, maar een proeflokaal bleef behouden en dit werd rond 1955 door Heineken gerestaureerd. Het café bevat een opkamer, die bereikbaar is via een wenteltrap, glas-in-lood decoraties en een originele jenevertap op de bar. De jenevervaatjes boven de bar vormen een zogenaamd ‘drankorgel’. Door tegen de vaatjes te tikken krijg je verschillende klanken, al naargelang de hoeveelheid drank in de vaten. Café ’t Smalle is, van de hier besproken kroegen, de enige die vermeld wordt in ‘1000 Places to see before you die’ van Patricia Schultz.

De Engelse Reet

In de Begijnensteeg, een nauwe doorgang tussen de Kalverstraat en het Begijnhof is op nummer 4 een bruin café De Pilsener Club, dat evenwel beter bekend is onder de geheimzinnige naam ‘De Engelse Reet’. De Begijnensteeg heette in de volksmond ‘de Engelse reet’, waarbij ‘reet’ staat voor ‘nauwe steeg’ en die steeg liep naar de Engelse Kerk op het Begijnhof. ‘De Engelse Reet’ is een typische bruine kroeg met zand op de vloer, geen muziek en zelfs geen bar. Het café dateert van 1893 en is sinds 1928 in handen van de familie Van Veen, die het al vier generaties exploiteert. Aan de bruin gerookte wanden hangen pentekeningen van overgrootvader Teun (alle generaties hebben die voornaam) van Veen. De drankprijzen staan genoteerd op krijtborden. Er is tot 20 jaar oude jenever te krijgen.

Eik en Linde

Café Eik en Linde is gevestigd aan de Plantage Middenlaan nr. 22, maar zou dateren van omstreeks 1722, toen het gelegen was op het huidige terrein van Artis, ter hoogte van het huidige wolvenhuis. Het Algemeen Handelsblad maakt in 1832 melding van openluchtconcerten in de tuin van café Eik en Linde aan de Plantage Franschenlaan. Aan het eind van de 19de eeuw opent Eik en Linde een zalencomplex met kegelbanen aan de Plantage Middenlaan op nr. 46.; na de Tweede Wereldoorlog verhuist men naar nr. 16 en tenslotte naar een voormalige dansschool op nr. 22. Op de oude dansvloer staan een biljart en een piano. Het café werd vooral bekend, toen stamgast Ischa Meijer van 1984 tot 1995 voor VPRO radio in het bovenzaaltje gasten ging interviewen. Dat zaaltje was ooit in gebruik als artiestenfoyer van de naastgelegen Hollandsche Schouwburg.

Café-slijterij Oosterling

Het pand aan de Utrechtsestraat 140, waar thans café Oosterling is gehuisvest, was vanaf 1735 achtereenvolgens in bezit van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) en daarna van een drankimporteur, de firma J. Koopmans. Vanaf 1877 is het café in handen van de familie Oosterling. De vierde generatie exploiteert thans de zaak. Café Oosterling en café Lacroix zijn de enige Amsterdamse kroegen met een slijterijvergunning; dit krachtens de dispensatieregeling van het Koninklijk Besluit van juni 1966, dat vanaf dat moment een scheiding aanbracht tussen tap- en slijterijvergunning. Oosterling produceert jonge en oude jenever volgens eigen recept. Een voormalige toonbank uit de tijd van de VOC en grote jenevervaten vormen de belangrijkste blikvangers van dit café.

Scharrebier

Scharrebier was met water verdund bier voor arme mensen. Het gelijknamige café is gelegen aan de Scharrebiersluis. Vroeger voeren veel schepen vanaf het IJ door deze sluis naar de Amstel. Op de plaats van het huidige café, aan het Rapenburgerplein, stond dan ook in de 17de eeuw al een zeemanscafé. Het huidige buurtcafé stamt uit 1909.

De Zeepost

Café De Zeepost ligt recht tegenover het Centraal Station aan de Prins Hendrikkade. Het is vooral een ‘inloopcafé’, waar veel toeristen komen. De bouw van een groot busstation aan de IJzijde van het station had als resultaat dat veel oude bushaltes werden opgeheven. Dat heeft het café veel klanten gekost. De naam ‘Zeepost’ heeft te maken met de periode dat zeelieden in dit pand hun postvak hadden. De bijnaam van het café luidt: ‘Schele Greet’.