Huizen en kloosters

De Zusters en Broeders van het Gemene Leven leefden in speciale woongemeenschappen. Ze streefden naar eenvoud, verinnerlijking en nederigheid. Ze aten sober en droegen onopvallende grijze kleding. Naast bidden en kerkgang was schrijven (kopiëren) belangrijk, zo’n zeven uur per dag. Alles werd gemeenschappelijk gedaan, zoals het elkaar onderwijzen en gewetensonderzoek. Broeders mochten ook anderen onderwijzen en scholieren huisvesten, voor vrouwen golden veel meer beperkingen. Van hen werd verwacht dat ze zo weinig mogelijk buitenshuis vertoefden.