IJzertijd

De ijzertijd laten we van 800 v. Chr. tot ongeveer 50 v. Chr. duren. Ook in de bronstijd kon men al ijzer maken, maar het kwam pas rond 800 v. Chr. echt in zwang. De invoering (niet overal tegelijk) en het gebruik van ijzer verschilden ook per gebied in Europa.

IJzer had een paar grote voordelen ten opzichte van brons. Het was keihard, het verspreidingsgebied was veel groter en daardoor was het lang niet zo duur. In ons land komt het voor als moerasijzererts, in beekdalen en moerassen, en kon het vrij makkelijk gewonnen worden. Het ijzererts werd in ovens verhit, waardoor er na verloop van tijd ruw ijzer overbleef. Van dit ruwe ijzer konden smeden door het opnieuw te verhitten van alles maken. Bijlen, dolken, speerpunten, maar ook landbouwwerktuigen (ploegpunten). IJzer en brons werden op verschillende manieren gemaakt, brons werd in mallen gegoten, ijzer werd gesmeed (smeedijzer).

De aanwezigheid van betere agrarische werktuigen als ploegen heeft er waarschijnlijk voor gezorgd dat de opbrengsten vermeerderden. Waardoor ook de bevolking weer kon groeien, omdat er meer te eten was. Een toename van de bevolking had vaak weer als resultaat dat men naar nieuwe gebieden trok. Brons werd in de ijzertijd nog wel gebruikt, maar alleen om sieraden en siervoorwerpen van te maken. Ook ijzer is evenals brons erg belangrijk geweest voor een aantal ontwikkelingen, met name op agrarisch gebied.