Bronstijd

De bronstijd duurde van 0ngeveer 3000 v. Chr. Tot zo’n 800 v. Chr. Men kende het materiaal koper al, omdat dat een metaal is dat in de natuur voorkomt. Koper is vrij zacht, voor wapens en gereedschappen ongeschikt.

Op een gegeven moment ontdekte men dat je koper harder kunt maken door er een ander metaal aan toe te voegen. Brons bestaat voor 90% uit koper en 10% uit tin en is een keihard materiaal. Erg gewild, het brak minder snel dan steen, je kon het weer scherp maken (wapens) en indien nodig ook weer omsmelten. Er ontstond dan ook een levendige handel in brons.

In Nederland zat geen koper en tin in de grond, bronzen voorwerpen zijn er dan ook niet zoveel gevonden. Het brons werd hier gebracht door rondtrekkende bronssmeden. Omdat er nog geen geld bestond, alleen ruilhandel, bleef het brons voor de Nederlandse boeren bij gebrek aan ruilmiddelen kostbaar.

Het maken van steeds verfijndere bronzen voorwerpen vereiste een steeds grotere technische vaardigheid. Die technische kennis gekoppeld aan het probleem van hoe zware metaalertsen te transporteren kon wel eens de stoot gegeven hebben tot de uitvinding van het wiel. De kennis van het maken van brons is dus heel belangrijk geweest en heeft veel consequenties gehad. Nederland is pas laat overgestapt op brons, zoals gezegd door het ontbreken van de metalen koper en tin, doordat het zo duur was en omdat men beschikte over een goede kwaliteit vuursteen. Er was minder noodzaak.