Slavernij

“Ik ben nog in geene kolonie geweest, waar de slaven zoo slecht worden behandeld, zulk slecht voedsel en zulke sobere kleeding ontvangen en waar zij toch tot zulk een zwaaren arbeid, boven hunnen krachten worden genoodzaakt.” Dit schreef Pinson Bonham, gouverneur van Suriname tijdens het Britse tussenbestuur (1804-1816) in een brief aan Londen. Vooral op de plantages hadden de slaven het zwaar.

Plantages

Plantagebezitters vormden in de kolonie de economische en politieke elite. Men leefde met gezin en slaven op de plantages. Planters die voldoende fortuin hadden vergaard keerden na verloop van tijd terug naar Europa en lieten het beheer van de plantages over aan administrateurs. Slaven waren voor hun eigenaar slechts een middel om de winst van de plantage zo hoog mogelijk te laten oplopen. Werden ze te oud of arbeidsongeschikt, dan werden ze in de administratie afgeboekt.

De behandeling van de slaven

215.000 Afrikanen werden in de loop der tijd als slaaf in Suriname te werk gesteld. Nadat ze verkocht waren, werden ze vaak gebrandmerkt met de initialen van hun eigenaar.De behandeling en de zwaarte van het werk kon verschillen van plantage tot plantage. Het hing af van het regime dat de eigenaar voerde. De arbeid op de suikerrietplantages was het zwaarst. Huisslaven hadden het iets minder zwaar. Slavinnen werden soms door hun eigenaar tot prostitutie gedwongen.Het aantal slaven in Suriname groeide in de loop der jaren en hun getalsmatige overwicht vormde in zekere zin een bedreiging voor de blanke kolonisten. Grof geweld en strenge straffen bij overtreding van regels waren daarvan het gevolg.

Verzet

Jaarlijks ontvluchtten honderden slaven hun ellendige bestaan. Weggelopen slaven werden “marrons” genoemd. Zij vormden een gevaar voor de kolonisten. Ze pleegden overvallen of probeerden in kleine groepen achterblijvers te bevrijden. Omstreeks 1765 begonnen in Oost-Suriname de Boni oorlogen, een opstand van groepen weggelopen slaven onder leiding van Boni, die tijdens de tweede oorlog in 1793 sneuvelde. In 1795 vond er op Curaçao een slavenopstand plaats onder aanvoering van Tula. De verfilming van deze rebellie is onlangs in première gegaan.

Het einde van de slavernij

In de Engelse koloniën werd in 1833 de slavernij verboden. Zover was men in Nederland nog lang niet. In 1808 werd de invoer van nieuwe slaven in Suriname verboden en in 1828 werd een regeringsreglement van kracht, waarin de bepaling was opgenomen dat slaven als personen werden beschouwd. Pas in de jaren veertig werd de roep om afschaffing van de slavernij in Nederland groter. De “abolitionisten” waren vooral binnen het protestantse Réveil te vinden. In 1842 kregen zij toestemming tot oprichting van de Maatschappij ter Bevordering van de Afschaffing van de Slavernij. Dit doel werd pas op 1 juli 1863 bereikt.