De West-Indische Compagnie en de slavenhandel

Op 1 juli 1863 leefden er in Suriname ongeveer 36.000 mensen in slavernij en op de Antillen circa 12.000. De oorsprong van de slavernij in de Nederlandse koloniën ligt in de eerste helft van de 17de eeuw, toen de West-Indische Compagnie begon met het transport van Afrikaanse slaven naar de West.

Willem Usselinckx

Willem Usselinckx (1567-ca. 1647) was een calvinistische zakenman. Na de val van Antwerpen week hij uit naar de Nederlanden  en vestigde zich in 1591 in Middelburg. Omstreeks 1600 propageerde hij de oprichting van een West-Indische Compagnie en het stichten van protestantse, blanke volksplantingen die met hun winst moesten bijdragen aan de bekostiging van de oorlog tegen de Spanjaarden. Hij was echter gekant tegen slavernij en wilde ruilhandel met de indianen. Zijn voorstel werd pas twee decennia later uitgevoerd, maar bepaald niet zoals hij het had bedoeld.

De Compagnie

Op 3 juni 1621 werd door de Staten Generaal een octrooi verleend aan de West-Indische Compagnie (W.I.C.). De onderneming kreeg het monopolie op handel en scheepvaart in een gebied van West-Afrika tot Kaap de Goede Hoop, de landen van Amerika en Australië. Tot 1734 had het W.I.C. het monopolie op de Nederlandse slavenhandel. Daarna kwam die handel vooral in handen van de particuliere Middelburgsche Commercie Compagnie. In 1792 werd de W.I.C. opgeheven na grote financiële verliezen en vermindering van inkomsten.

Slavenhandel

De naam van de West-Indische Compagnie is nauw verbonden met de handel in slaven. Die kwam pas goed op gang, nadat de Nederlanders vaste voet hadden gezet in Brazilië. De plantages in de provincie Pernambuco hadden dringend behoefte aan arbeidskrachten. Deze werden door de W.I.C. uit Afrika gehaald, waar in 1637 Sint George del Mina (Elmina) in Ghana en in 1641 Luanda in het huidige Angola op de Portugezen veroverd waren. Hiermee nam de Republiek het voortouw in de slavenhandel over van Portugal.

Transporten

Naar schatting 600.000 Afrikaanse slaven zijn in totaal door de Nederlanders naar de West vervoerd. Omstreeks 14% bezweek tijdens het vervoer aan uitputting en ziektes als scheurbuik, pokken en dysenterie. De slaven werden voor ca. 200 gulden doorverkocht aan tussenhandelaren, die hen naar Suriname, Berbice en Essequibo (thans Brits Guyana) en Sint Maarten brachten. Daar werden ze te koop aangeboden aan plantagebezitters.